ECLI:NL:CRVB:2013:2170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante, voormalig telefoniste/receptioniste, viel in 1999 uit wegens ziekte en ontving een WAO-uitkering. Deze uitkering werd in 2004 ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na verschillende bezwaar- en beroepsprocedures werd de intrekking gehandhaafd. In 2009 verzocht appellante om herziening van deze intrekking, stellende dat zij de diagnose POTS had gekregen, wat volgens haar een nieuw feit was.
Het UWV wees dit verzoek in 2011 af omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat zelfs als POTS bij appellante aanwezig was in 2004, dit geen nieuw feit was gezien haar weigering toen om op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts te verschijnen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en voerde zij aan dat het beroep op artikel 6 EVRM Pro niet juist was afgewezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het verzoek had afgewezen omdat de diagnose POTS pas in 2009 was vastgesteld en niet aantoonbaar was dat deze in 2004 al bestond. Ook werd overwogen dat het bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid niet alleen om de diagnose gaat, maar om de beperkingen die daaruit voortvloeien, welke destijds adequaat waren beoordeeld.
De Raad concludeerde dat er geen schending van artikel 6 EVRM Pro was en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de intrekking van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten.