ECLI:NL:CRVB:2013:2253
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandaanvraag alleenstaande ouder wegens gezamenlijke huishouding
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de norm voor een alleenstaande ouder. Het dagelijks bestuur weigerde deze bijstand omdat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met haar partner, met wie zij een kind heeft. Na onderzoek, waaronder huisbezoeken en het horen van getuigen, concludeerde het bestuur dat zij feitelijk samenwoonden in de woonwagen van appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het feit dat beide partijen op verschillende adressen stonden ingeschreven niet uitsluit dat er sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf.
De Raad stelde vast dat de partner dagelijks in de woonwagen verbleef en dat zijn eigen caravan niet als zelfstandige woning kon worden aangemerkt vanwege het ontbreken van elementaire voorzieningen. De verklaring van de getuige, moeder van appellante, dat de partner slechts af en toe in zijn caravan verbleef, werd als overtuigend beoordeeld.
De Raad concludeerde dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellante daarom geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandaanvraag voor alleenstaande ouder wordt afgewezen wegens gezamenlijke huishouding.