ECLI:NL:CRVB:2013:2295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 2007 bijstand en werd vanaf maart 2011 onderzocht vanwege onduidelijke mutaties op haar bankafschriften. De gemeente ontdekte dat meerdere auto’s op haar naam stonden en voerde gesprekken waarin appellante verklaarde dat zij auto’s van familieleden op haar naam zette en daarvoor soms geld ontving. Toen zij geconfronteerd werd met tegenstrijdigheden in haar verklaringen, beëindigde zij het gesprek abrupt en verklaarde zij de bijstand niet meer te willen ontvangen.
Het college interpreteerde dit als een verzoek tot beëindiging en trok de bijstand per 1 december 2011 in. Appellante maakte bezwaar en leverde later enkele stukken aan, maar verscheen niet op een vervolgafspraak. Het college handhaafde het besluit omdat de verstrekte informatie onvoldoende was om het recht op bijstand vast te stellen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellante haar medewerkingsplicht heeft geschonden door relevante vragen onbeantwoord te laten en onvoldoende stukken te overleggen. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en is de intrekking terecht.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingen- en medewerkingsplicht wordt bevestigd.