ECLI:NL:CRVB:2013:2297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1996 bijstand als alleenstaande ouder met toeslag. Naar aanleiding van anonieme tips startte de sociale recherche een onderzoek naar mogelijke gezamenlijke huishouding met S. Dit onderzoek omvatte dossieronderzoek, raadpleging van gemeentelijke en nutsgegevens, verhoren van buurtbewoners en betrokkenen, en een verhoor van appellante en S zelf.
Op basis van deze bevindingen concludeerde het college dat appellante en S van mei 2009 tot juni 2011 een gezamenlijke huishouding voerden. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van ruim €34.770. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betwist appellante dat sprake was van gezamenlijke huishouding en stelt dat het college dit niet heeft bewezen. De Raad beoordeelt de feiten, waaronder verklaringen van getuigen, verbruiksgegevens en inschrijvingen in de GBA. Ondanks ontkenning van appellante en S blijkt uit de samenhang van feiten dat zij feitelijk samenwoonden op het adres van appellante.
De Raad oordeelt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van gezamenlijke huishouding en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.