Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en was sinds 2007 ingeschreven op een adres te Amsterdam. Naar aanleiding van het niet verschijnen op oproepen en retour gekomen aangetekende post startte het college een onderzoek. Op 26 juli 2011 werd een brief in de brievenbus van appellant gedeponeerd met het verzoek om op 27 juli 2011 te verschijnen bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI), waarbij ook bankafschriften werden gevraagd. Appellant verscheen niet en gaf geen gehoor aan een tweede oproep op 29 juli 2011. Het college schortte vervolgens de bijstand op en trok deze later in.
Appellant voerde aan de brief niet te hebben ontvangen en wees op zijn lichamelijke en psychische klachten. De Raad oordeelde dat de brief op het opgegeven adres was bezorgd en dat het college mocht aannemen dat de uitnodiging tijdig was ontvangen. Indien appellant de post niet ontving, was dit voor zijn risico. Ook het niet tijdig legen van de brievenbus werd hem aangerekend. De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende medewerking had verleend en dat het college terecht gebruik had gemaakt van haar bevoegdheid tot opschorting en intrekking van de bijstand.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.