ECLI:NL:CRVB:2013:2380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks eerdere intrekking
Appellante diende een aanvraag in voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, maar het college wees deze af omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar kind, [K.]. Na uitschrijving van [K.] op het adres van appellante, diende zij een nieuwe aanvraag in, die eveneens werd afgewezen na een onderzoek waarbij werd vastgesteld dat [K.] nog steeds zijn hoofdverblijf bij appellante had.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat zij nog een gezamenlijke huishouding voerde met [K.], maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek werd [K.] aangetroffen in de woning, met persoonlijke spullen aanwezig.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs leverde van gewijzigde omstandigheden en dat de eerdere afwijzing daarom terecht was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstand omdat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gezamenlijke huishouding was beëindigd.