ECLI:NL:CRVB:2013:2414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek huishoudelijke verzorging Wmo wegens voldoende mantelzorg kleindochter
Appellant, die lijdt aan een stofwisselingsziekte en andere gezondheidsproblemen, verzocht om huishoudelijke verzorging op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college kende hem een beperkte voorziening toe, omdat van zijn bij hem inwonende kleindochter werd verwacht dat zij het huishouden kon voeren.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat zijn kleindochter niet in staat was om het huishouden te doen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de kleindochter niet in staat was het huishouden te voeren. Er werden geen nieuwe gronden aangevoerd die de eerdere beoordeling konden wijzigen. De Raad vond geen aanleiding om de proceskosten aan appellant toe te kennen.
Hierdoor blijft het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam in stand dat appellant geen recht heeft op huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beperking van huishoudelijke verzorging wordt bevestigd.