ECLI:NL:CRVB:2013:2414

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2013
Publicatiedatum
13 november 2013
Zaaknummer
11-7478 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek huishoudelijke verzorging Wmo wegens voldoende mantelzorg kleindochter

Appellant, die lijdt aan een stofwisselingsziekte en andere gezondheidsproblemen, verzocht om huishoudelijke verzorging op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college kende hem een beperkte voorziening toe, omdat van zijn bij hem inwonende kleindochter werd verwacht dat zij het huishouden kon voeren.

Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat zijn kleindochter niet in staat was om het huishouden te doen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de kleindochter niet in staat was het huishouden te voeren. Er werden geen nieuwe gronden aangevoerd die de eerdere beoordeling konden wijzigen. De Raad vond geen aanleiding om de proceskosten aan appellant toe te kennen.

Hierdoor blijft het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam in stand dat appellant geen recht heeft op huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beperking van huishoudelijke verzorging wordt bevestigd.

Uitspraak

11/7478 WMO
Datum uitspraak: 13 november 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
1 december 2011, 11/2037 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 30 december 2011 heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, zich als gemachtigde voor appellant gesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013. Voor appellant is verschenen mr. De Gruijl. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is bekend met een stofwisselingsziekte, incontinentie, hoge bloeddruk en vernauwing van bloedvaten in zijn benen als gevolg waarvan hij beperkingen ondervindt bij het voeren van de huishouding. Op 1 november 2010 heeft appellant verzocht om toekenning van huishoudelijke verzorging ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor drieënhalf uur per week.
1.2. Bij besluit van 28 januari 2011 heeft het college aan appellant voor de periode van
12 februari 2011 tot en met 4 juni 2011 een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging ingevolge de Wmo toegekend voor één uur per week. Het college heeft bij de beoordeling van de aanvraag betrokken dat van de bij appellant inwonende kleindochter, die op dat moment 22 jaar oud is, wordt verwacht dat zij een eenpersoonshuishouden kan verzorgen. Vanaf 4 juni 2011, de datum dat de kleindochter de leeftijd van 23 jaar bereikt, wordt van haar verwacht dat zij een meerpersoonshuishouden kan voeren. Dat betekent dat appellant per 5 juni 2011 geen recht meer heeft op huishoudelijke hulp ingevolge de Wmo.
1.3. Bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 januari 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn bij hem inwonende kleindochter niet in staat was om bij te dragen in de huishouding.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft de door appellant in beroep aangevoerde gronden uitgebreid besproken. Door appellant zijn in hoger beroep geen gronden aangevoerd die niet al in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. De Raad kan zich geheel in de beoordeling van de gronden door de rechtbank vinden. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn bij hem inwonende kleindochter niet in staat zou zijn om het huishouden te voeren.
4.2.
Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013.
(getekend) J. Brand
(getekend) M.P. Ketting
JvC