ECLI:NL:CRVB:2013:2421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passende functies
Appellant stopte op 19 maart 2009 met werken vanwege schouderklachten, later gevolgd door psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 20 januari 2011 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd in bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering van medische aspecten in bezwaar, maar hield de rechtsgevolgen in stand.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn PTSS en andere medische beperkingen, en dat zijn opleidingsniveau lager is dan vastgesteld. Hij verzocht ook om benoeming van een deskundige. Het UWV verwees naar rapporten die de eerdere beoordeling bevestigen en stelde dat appellant voldoet aan het vereiste vmbo-niveau en dat de geduide functies passend zijn.
De Raad oordeelde dat de nieuwe medische gegevens niet relevant zijn voor de datum in geding en dat het UWV zorgvuldig en volledig heeft gemotiveerd. De beperkingen zijn adequaat meegenomen en de functies zijn passend, ook gezien de beperkte taalvaardigheid van appellant. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.