Appellant, gehuwd sinds oktober 2004, ontving een AOW-toeslag die in 2004 werd herzien van ongehuwd naar gehuwd met gedeeltelijke toeslag. In 2010 verzocht zijn echtgenote om vrijwillige AOW-verzekering met terugwerkende kracht tot 1970. De Svb herzag daarop de toeslag van appellant per oktober 2009 naar volledig en betaalde nabetalingen.
Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de toeslagherziening en de berekening van wettelijke rente over de nabetalingen. De Svb wees het bezwaar af, stellende dat wettelijke rente pas verschuldigd was vanaf de datum van premiebetaling door de echtgenote in 2010.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelde de Raad dat het telefoongesprek in september 2005 als aanvraag voor vrijwillige verzekering moet worden gezien, waarmee de Svb een verzuim erkent. Hierdoor is wettelijke rente verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van de beslistermijn, vastgesteld op april 2006.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de eerdere besluiten over rentevergoeding, en bepaalde dat de Svb rente moet betalen over de periode april 2006 tot november 2010. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.