ECLI:NL:CRVB:2013:2462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant, die zich ziek meldde met rugklachten en later ook psychische klachten ontwikkelde, vorderde een WIA-uitkering. Medisch onderzoek door verzekeringsartsen en een psychiater concludeerde dat er geen psychiatrische stoornis in engere zin was en dat beperkingen beperkt waren tot milde persoonlijkheidsproblematiek en een rouwreactie.
Het UWV stelde vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering omdat er passende functies waren waarbij het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd meegewogen dat appellant geen overtuigend medisch bewijs had overlegd dat het medisch oordeel van het UWV betwistte.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het ontbreken van een SIMS-vragenlijst tot twijfel aan de diagnose simulatie leidde en dat hij niet tot reële arbeid in staat was, mede vanwege analfabetisme en leerproblemen. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend waren en dat appellant onvoldoende medische informatie had overgelegd om het medisch oordeel te weerleggen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.