Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 18 oktober 2010 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht meer had op een WGA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde dit bezwaar ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij meer beperkingen had door nek-, schouder/arm- en rugklachten en overhandigde medische rapporten en een aangepast functionele mogelijkhedenlijst (FML).
De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML op enkele punten aangescherpt, maar vond geen reden om beperkingen toe te voegen bij het klimmen en werken met toetsenbord en muis. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant voor een aantal functies geschikt was, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van 40,29%. Het UWV besloot daarop de WGA-uitkering voort te zetten.
De Raad vernietigde het eerdere besluit van 24 maart 2011 en verklaarde het beroep daarop gegrond, maar verklaarde het beroep tegen het latere besluit van 2 oktober 2012 ongegrond. Het verzoek om wettelijke rente werd toegewezen, het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.