ECLI:NL:CRVB:2013:2553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging toeslag WWB van 10% naar 7% bij gedeelde woonlasten
Appellant woont bij zijn ouders en ontvangt bijstand volgens de norm voor een alleenstaande, met aanvankelijk een toeslag van 10% vanwege gedeelde noodzakelijke kosten. Na wijziging van de Toeslagenverordening per 1 april 2011 werd deze toeslag verlaagd naar 7%. Het college heeft deze verlaging per 1 juli 2011 vastgesteld en het bezwaar van appellant hiertegen ongegrond verklaard.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn financiële situatie en medische kosten, waaronder rugklachten en reiskosten naar een revalidatiecentrum, een hogere toeslag rechtvaardigen. Hij stelde dat het college zijn financiële gegevens kende en dat de aanvragen voor bijzondere bijstand voor deze kosten waren afgewezen.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn omstandigheden zodanig bijzonder zijn dat een hogere toeslag op grond van artikel 18, eerste lid, WWB gerechtvaardigd is. De algemene verwijzing naar reeds bekende financiële gegevens en medische kosten was onvoldoende. Daarom is de toeslag terecht vastgesteld op 7% en wordt het hoger beroep afgewezen.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De toeslag op de bijstand wordt bevestigd op 7% en het hoger beroep wordt afgewezen.