ECLI:NL:CRVB:2013:2557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemeld vermogen in onroerende zaken in Marokko
Appellanten ontvingen sinds 1999 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme melding en documenten in het Arabisch startte de gemeente Amsterdam een onderzoek. Hieruit bleek dat onroerende zaken in Marokko op naam van appellanten stonden geregistreerd, met een waarde boven het vrij te laten vermogen.
Het college trok de bijstand met ingang van 28 juni 2000 in wegens het niet melden van dit vermogen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat de onroerende zaken eigendom zijn van hun minderjarige neefje en niet van hen, omdat deze volgens Marokkaans recht niet op naam van een minderjarige kunnen staan.
De Raad oordeelde dat registratie in het officiële eigendomsregister op naam van appellanten de vooronderstelling rechtvaardigt dat het vermogen toebehoort aan appellanten. Appellanten slaagden er niet in met objectieve en verifieerbare gegevens te bewijzen dat de onroerende zaken eigendom zijn van hun neefje. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat het niet gemelde vermogen toebehoort aan appellanten.