Appellante ontving vanaf 18 oktober 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het bestuur een onderzoek naar haar woon- en leefsituatie. Na een gesprek en een huisbezoek op 12 april 2011 concludeerde het bestuur dat appellante niet op het opgegeven adres woonde en trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 13 september 2010, met terugvordering van € 6.556,97.
Het college wijzigde dit besluit later en trok de bijstand in vanaf 1 november 2010 met een lagere terugvordering. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en wijzigde de kostenvergoeding. Appellante ging in hoger beroep tegen het in stand laten van het bestreden besluit.
De Raad oordeelde dat het huisbezoek en de bevindingen daarvan een redelijke grond boden voor het standpunt dat appellante op 12 april 2011 niet op het opgegeven adres woonde, gezien de karige inrichting en het ontbreken van aangesloten keukenapparatuur. Echter, voor de periode van 1 november 2010 tot 12 april 2011 waren de onderzoeksgegevens onvoldoende om te concluderen dat appellante niet woonde op het opgegeven adres. De Raad vernietigde het besluit voor die periode en herroept het eerdere besluit, waarbij het bestuur in de proceskosten wordt veroordeeld.