ECLI:NL:CRVB:2013:2570
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
De zaak betreft een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht waarin het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de bijstand aan S heeft ingetrokken en de kosten daarvan heeft teruggevorderd van appellant wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder dit te melden.
Na een anonieme tip en telefonische melding voerde de sociale recherche een onderzoek uit dat leidde tot de conclusie dat appellant en S tussen 1 oktober 2005 en 6 oktober 2006 samenwoonden. Het college besloot daarop de bijstand over die periode in te trekken en de kosten terug te vorderen, ook van appellant.
De rechtbank oordeelde dat voldoende bewijs bestond voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. Appellant betwistte dit in hoger beroep, maar de Centrale Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, met name gelet op verklaringen van appellant en S tegenover de politie en de moeder van S. De Raad achtte de latere ontkenningen van S ongeloofwaardig en vond geen concrete aanwijzingen om het eerdere bewijs te weerleggen.
De Raad stelde vast dat wederzijdse zorg niet in balans hoeft te zijn en dat het college bevoegd was tot medeterugvordering op grond van artikel 59, tweede lid, WWB. Ook het ontbreken van strafvervolging door het Openbaar Ministerie deed hieraan niets af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.