Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:2570

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2013
Publicatiedatum
26 november 2013
Zaaknummer
12-4235 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, tweede lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding

De zaak betreft een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht waarin het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de bijstand aan S heeft ingetrokken en de kosten daarvan heeft teruggevorderd van appellant wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder dit te melden.

Na een anonieme tip en telefonische melding voerde de sociale recherche een onderzoek uit dat leidde tot de conclusie dat appellant en S tussen 1 oktober 2005 en 6 oktober 2006 samenwoonden. Het college besloot daarop de bijstand over die periode in te trekken en de kosten terug te vorderen, ook van appellant.

De rechtbank oordeelde dat voldoende bewijs bestond voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. Appellant betwistte dit in hoger beroep, maar de Centrale Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, met name gelet op verklaringen van appellant en S tegenover de politie en de moeder van S. De Raad achtte de latere ontkenningen van S ongeloofwaardig en vond geen concrete aanwijzingen om het eerdere bewijs te weerleggen.

De Raad stelde vast dat wederzijdse zorg niet in balans hoeft te zijn en dat het college bevoegd was tot medeterugvordering op grond van artikel 59, tweede lid, WWB. Ook het ontbreken van strafvervolging door het Openbaar Ministerie deed hieraan niets af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.

Uitspraak

12/4235 WWB
Datum uitspraak: 26 november 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 juni 2012, 10/1754 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Gerretsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gerretsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Het college heeft over de periode van 6 oktober 2003 tot en met 31 december 2009 aan
E. [S.] (S) bijstand verleend, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme tip op 6 januari 2009 en een telefonische melding op
2 juli 2009 dat S samenwoont, heeft het Team Handhaving van de gemeente Utrecht (sociale recherche) een onderzoek uitgevoerd naar de woonsituatie van S. In het kader daarvan heeft de sociale recherche dossier-onderzoek en administratief onderzoek verricht en S en appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van
11 februari 2010. Hierin heeft de sociale recherche geconcludeerd dat S en appellant in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 6 oktober 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, waarvan S geen mededeling heeft gedaan aan het college.
1.3.
Op grond hiervan heeft het college bij besluit van 8 februari 2010 de bijstand van S over de periode van 1 oktober 2005 tot en met 6 oktober 2006 (periode in geding) ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.248,78 bruto van haar teruggevorderd. Daarbij heeft het college tevens met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB de over de periode in geding gemaakte kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 6 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 februari 2010 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van de gedingstukken, met name de door appellant en S zelf afgelegde verklaringen, genoegzaam blijkt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en S in de periode in geding.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt
- kort samengevat - dat hij met S in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellant en S in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en maakt die overwegingen tot de zijne. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen, waartoe het volgende wordt overwogen.
4.1.1.
Anders dan appellant heeft betoogd, kan in dit geval zwaarwegende betekenis worden toegekend aan de verklaringen die S en hij op respectievelijk 11 februari 2007 en 23 oktober 2007 tegenover de politie Utrecht hebben afgelegd. Appellant en S spreken ieder over verblijf bij elkaar in de periode in geding gedurende 7 dagen per week.
4.1.2.
In het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed
of -belofte door de politie opgemaakt en ondertekend proces-verbaal en kan aan een latere intrekking of, zoals in dit geval, nuancering van de in dat proces-verbaal opgetekende verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Appellant heeft gesteld dat hij zijn verklaring destijds heeft afgelegd onder de druk van een mogelijke vervolging wegens seksueel misbruik van een minderjarige en daarmee heeft getracht duidelijk te maken dat hij een serieuze relatie met S had. Ook als dit zo zou zijn, dan betekent dat nog niet dat de toen door hem afgelegde verklaring op het punt van zijn feitelijke woonverblijf niet in overeenstemming met de werkelijkheid was. De verklaring van appellant van 23 oktober 2007 en de verklaring van S van 11 februari 2007 zijn, zoals hiervoor al overwogen, op dat punt met elkaar in overeenstemming en komen ook overeen met de verklaring van [naam moeder], moeder van S, van 9 februari 2007. Appellant heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens in het geding gebracht waaruit moet worden afgeleid dat wat hij toen heeft verklaard niet juist kan zijn. Appellant heeft in zijn verklaring van 15 december 2009 ook niet ten volle afstand genomen van zijn eerdere verklaring. Hij heeft deze wel genuanceerd, maar voor zijn standpunt dat hij hooguit de eerste drie maanden van de relatie hoofdzakelijk bij S heeft verbleven, bieden de meergenoemde verklaringen en de overige gedingstukken geen concrete aanknopingspunten. De verklaring van S van 12 januari 2010 dat appellant nooit met haar heeft samengewoond acht de Raad in het licht van haar eerdere verklaring van
11 februari 2007 ongeloofwaardig. De verklaring van S van 12 januari 2010 spoort bovendien niet met de verklaringen van 23 oktober 2007 en 15 december 2009 van appellant zelf.
4.1.3.
Met betrekking tot de wederzijdse zorg kan, mede gelet op wat appellant daarover tegenover de sociale recherche en ter zitting heeft verklaard, wel worden aangenomen dat zijn zorg naar S toe omvangrijker was dan andersom. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is echter niet vereist dat deze over en weer in balans is.
4.2.
Aangezien S in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting aan het college niet heeft gemeld dat zij met appellant in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, was het college bevoegd om met toepassing van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de WWB de kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.
4.3.
De door appellant gestelde omstandigheid dat hij in ieder geval in de eerste drie maanden van zijn relatie met S niet op de hoogte was van de verplichtingen die S had ten opzichte van het college, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB
4 december 2012, LJN BY5790) is dat voor de vaststelling of het college tot medeterugvordering bevoegd is niet van belang.
4.4.
De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie wegens gebrek aan bewijs geen strafvervolging tegen appellant heeft ingesteld doet aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter gaat bij de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding uit van een eigen vaststelling en waardering van de zich voordoende feiten en omstandigheden en is niet gebonden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2013.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) P.J.M. Crombach
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD