ECLI:NL:CRVB:2013:2577

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 november 2013
Publicatiedatum
26 november 2013
Zaaknummer
11-5563 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Inkomensbesluit WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering te veel betaalde WIA-voorschotten ondanks beroep op vertrouwensbeginsel

Appellant ontving sinds augustus 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering die in september 2007 werd omgezet in een IVA-uitkering. Het UWV bracht inkomsten uit arbeid in mindering op de uitkering. In oktober 2009 stelde het UWV de uitkering over de periode augustus 2006 tot september 2009 vast, waarbij het afzag van terugvordering wegens late beoordeling van inkomsten.

In februari 2010 stelde het UWV vast dat appellant over de periode september 2009 tot januari 2010 een bedrag van €332,77 te veel had ontvangen en vorderde dit terug. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het UWV onjuiste gegevens gebruikte en dat bepaalde emolumenten gespreid hadden moeten worden in plaats van in één maand verrekend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat het UWV het vertrouwen had gewekt dat bij voorschotberekening rekening zou worden gehouden met vaste extra inkomenscomponenten. De Raad oordeelde dat appellant niet kon aantonen dat het UWV een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging had gedaan. Ook de toepasselijke wettelijke bepalingen verplichten het UWV niet tot de door appellant voorgestane berekeningswijze.

Gelet op deze overwegingen bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaalde WIA-voorschotten en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.

Uitspraak

11/5563 WIA
Datum uitspraak: 15 november 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van
18 augustus 2011, 10/479 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2013. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds 21 augustus 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van
7 september 2007 omgezet in een IVA-uitkering. Appellant werkt nog bij zijn werkgever. De hieruit verkregen inkomsten hebben geen invloed op de mate van arbeidsongeschiktheid. Het Uwv brengt de inkomsten uit arbeid in mindering op de uitkering.
1.2. Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het Uwv de hoogte van de uitkering over de periode van 21 augustus 2006 tot 1 september 2009 vastgesteld. Wegens de late beoordeling van de over deze periode genoten inkomsten van appellant heeft het Uwv afgezien van terugvordering van het te veel betaalde bedrag. Voorts heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn uitkering in verband met de door hem genoten inkomsten met ingang van
1 november 2009 op voorschotbasis wordt aangepast en dat na de beoordeling van de inkomsten mogelijk nog een terugvordering of nabetaling volgt.
1.3. Bij besluit van 19 februari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant in verband met gewijzigde inkomsten over de periode van 1 september 2009 tot 1 januari 2010 een bedrag van € 332,77 te veel aan uitkering heeft ontvangen. Bij afzonderlijk besluit van
19 februari 2010 heeft het Uwv dit bedrag van appellant teruggevorderd.
1.4. Appellant heeft tegen beide besluiten van 19 februari 2010 bezwaar gemaakt. Volgens appellant is het Uwv van onjuiste gegevens uitgegaan.
1.5. Meer in het bijzonder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv de in juli onderscheidenlijk december uitbetaalde emolumenten (ziektekostenverzekering en eindejaarsuitkering) over het jaar had moeten uitsmeren in plaats van deze te verrekenen in de maand van betaling. Onder verwijzing naar de in 1.2 vermelde mededeling in het besluit van 21 oktober 2009 heeft appellant voorts aangevoerd dat hij er op heeft mogen vertrouwen dat met het betalen op voorschotbasis alle beschikbare inkomensinformatie bij het Uwv bekend was.
1.6. Bij besluit van 28 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn bezwaren zich richten tegen de herziening en de terugvordering en dat de wijze waarop de voorschotten worden berekend daarvan een onlosmakelijk deel uitmaakt. Voorts handhaaft appellant dat het Uwv bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat bij de vaststelling van de voorschotten na het besluit van
29 oktober 2009 rekening zou worden gehouden met de vaste extra inkomenscomponenten.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vast staat dat appellant niet betwist dat aan hem over de in geding zijnde periode een bedrag van € 332,77 te veel aan uitkering is uitbetaald. Het betoog van appellant komt er in de kern op neer dat hij zich op het standpunt stelt dat de door hem voorgestane wijze van berekening van de voorschotten, voor wat de in geding zijnde periode betreft, zou hebben geleid tot een lager terugvorderingsbedrag. Ter zitting heeft het Uwv bevestigd dat deze mogelijkheid niet kan worden uitgesloten. Dit brengt mee dat appellant belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
4.2.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Uit de stukken komt naar voren dat appellant op grond van de feitelijke gang van zaken en in het bijzonder op grond van de in 1.2 vermelde mededeling in het besluit van 21 oktober 2009 in de veronderstelling verkeerde dat het Uwv wetenschap had van al zijn inkomensbestanddelen en bij de bepaling van de voorschotten de door appellant gewenste, in 1.5 vermelde, werkwijze zou volgen.
4.3.
Dat het Uwv bij appellant het vertrouwen zou hebben gewekt dat deze werkwijze zou worden gevolgd is niet gebleken. Ook in het besluit van 21 oktober 2009 is geen enkele aanwijzing te vinden voor een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging tot het volgen van deze werkwijze. Dat het Uwv, naar uit de naar aanleiding van de vraagstelling van de Raad ingediende stukken is gebleken, voor de periode in geding geen gevolg heeft gegeven aan aanvragen van appellant om met toepassing van artikel 6, derde lid, van het Inkomensbesluit WIA tot de door appellant voorgestane berekening van de voorschotten over te gaan, leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze bepaling het Uwv niet tot deze berekeningswijze verplicht.
4.4.
Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en H.C.P. Venema en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) I.J. Penning

CVG