ECLI:NL:CRVB:2013:2582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling termijnoverschrijding buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet en rechtszekerheidsbeginsel
Appellant, woonachtig in Zweden, was onder de Zorgverzekeringswet als verdragsgerechtigde aangemerkt en had recht op zorg in zijn woonland met een buitenlandbijdrage die werd ingehouden op zijn Nederlandse pensioen. Het College voor Zorgverzekeringen (Cvz) stelde de buitenlandbijdrage definitief vast over 2006, maar deed dit na de termijn in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling zorgverzekering.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de termijnoverschrijding niet-ontvankelijk en oordeelde dat de termijn geen verval- of verjaringstermijn is, waardoor het Cvz bevoegd bleef de jaarafrekening vast te stellen. Appellant stelde in hoger beroep dat de late vaststelling en de late beslissing op bezwaar onrechtmatig waren.
De Raad overwoog dat de termijn geen fatale termijn is en dat het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden omdat appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat een definitieve vaststelling zou volgen. Tevens leed appellant geen nadeel omdat het Cvz afzag van wettelijke rente. De Raad bevestigde dat de redelijke termijn voor de gehele procedure niet was overschreden en verwierp de grieven van appellant. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de termijnoverschrijding geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel oplevert en verklaart het hoger beroep ongegrond.