Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:2582

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2013
Publicatiedatum
27 november 2013
Zaaknummer
11-7572 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.3.3 Regeling zorgverzekeringAlgemene wet bestuursrechtVerordening (EEG) nr. 1408/71
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling termijnoverschrijding buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet en rechtszekerheidsbeginsel

Appellant, woonachtig in Zweden, was onder de Zorgverzekeringswet als verdragsgerechtigde aangemerkt en had recht op zorg in zijn woonland met een buitenlandbijdrage die werd ingehouden op zijn Nederlandse pensioen. Het College voor Zorgverzekeringen (Cvz) stelde de buitenlandbijdrage definitief vast over 2006, maar deed dit na de termijn in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling zorgverzekering.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen de termijnoverschrijding niet-ontvankelijk en oordeelde dat de termijn geen verval- of verjaringstermijn is, waardoor het Cvz bevoegd bleef de jaarafrekening vast te stellen. Appellant stelde in hoger beroep dat de late vaststelling en de late beslissing op bezwaar onrechtmatig waren.

De Raad overwoog dat de termijn geen fatale termijn is en dat het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden omdat appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat een definitieve vaststelling zou volgen. Tevens leed appellant geen nadeel omdat het Cvz afzag van wettelijke rente. De Raad bevestigde dat de redelijke termijn voor de gehele procedure niet was overschreden en verwierp de grieven van appellant. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de termijnoverschrijding geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel oplevert en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

11/7572 ZVW
Datum uitspraak: 27 november 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van
17 november 2012, 11/1 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te[woonplaats] (appellant)
het College voor Zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft M. Snippe hoger beroep ingesteld.
Het Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Appellant is niet verschenen. Het Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.A. Rood.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant woonde ten tijde hier van belang in Zweden.
1.2. Met ingang van 1 januari 2006 is in Nederland de Zorgverzekeringswet (Zvw) in werking getreden. Ingevolge de Zvw is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde in de zin van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 aangemerkt en heeft hij recht op zorg in zijn woonland ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen. De hoogte van de buitenlandbijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland gedeeld door de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland
(de woonlandfactor). Appellant heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat hij met ingang van
1 januari 2006 in Zweden is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen.
1.3. Bij besluit van 8 maart 2010 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekening over 2006 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 2.250,85.
1.4. Het namens appellant tegen het besluit van 8 maart 2010 ingediende bezwaar is door het Cvz bij besluit van 26 november 2010 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
1.5. Bij besluit van 2 maart 2011 heeft het Cvz zijn beslissing van 26 november 2010 ingetrokken en de bezwaren van appellant alsnog ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
26 november 2010 wegens verval van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 2 maart 2011 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld dat de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling zorgverzekering (Regeling) opgenomen termijn van zes maanden geen verval- of verjaringstermijn is. Aan het overschrijden van deze termijn kan niet de conclusie worden verbonden dat nadien niet langer de bevoegdheid bestaat om de definitieve jaarafrekening vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank regelt het artikel (alleen) het moment van vaststelling en had het voor de hand gelegen dat, indien een verjarings- of vervaltermijn was beoogd, dit uitdrukkelijk in de tekst van het artikel zou zijn opgenomen. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad en het Hof van Justitie, geoordeeld dat het beroep van appellant op een aantal beginselen van behoorlijk bestuur niet kan slagen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de beslissing op bezwaar destijds weliswaar te laat is genomen, maar appellant had, indien hij snel een beslissing wilde, het Cvz in gebreke kunnen stellen, waarna de mogelijkheid van beroep tegen het uitblijven van een besluit mogelijk zou zijn geweest. Appellant heeft van deze mogelijkheden echter geen gebruik gemaakt.
3.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de beslissing waarbij de definitieve jaarafrekening over 2006 is vastgesteld te laat aan hem bekend is gemaakt. Hij heeft
ook - opnieuw - gesteld dat de beslissing op bezwaar te laat is genomen.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.1. De in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling opgenomen termijn waarbinnen het Cvz de definitieve jaarafrekening moet vaststellen is geen verval- of verjaringstermijn. Met de rechtbank, en onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4745, is de Raad van oordeel dat overschrijding van deze termijn dan ook niet betekent dat het Cvz geen bijdrage meer zou mogen vaststellen.
4.1.2. Hetgeen in 4.1.1 is overwogen laat onverlet dat bij de definitieve vaststelling van een jaarafrekening na het verstrijken van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn, rekening behoort te worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel. Van schending van dit beginsel is in dit geval geen sprake, nu appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat er nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekening zou plaatsvinden en de termijnoverschrijding niet van zodanig lange duur is dat hij hiermee redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden. Uit artikel 6.3.3 van de Regeling vloeit immers voort dat na een eventuele inhouding - in een geval als dat van appellant - nog een voorlopige en een definitieve afrekening door het Cvz zullen worden vastgesteld. Appellant is in april 2007 door het Cvz over de vertraagde vaststelling van de verschuldigde bijdrage geïnformeerd. Ook daaruit had hij kunnen afleiden dat er nog een bijdrage zou worden vastgesteld. Tot slot is niet gebleken dat appellant door de termijnoverschrijding nadeel heeft geleden, nu het Cvz heeft afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente.
4.2.
Appellant kan worden gevolgd in zijn stelling dat het Cvz niet tijdig op zijn bezwaarschrift heeft beslist. Dit kan niet leiden tot de door appellant gevraagde
niet-ontvankelijkverklaring van het Cvz aangezien de Algemene wet bestuursrecht daarin niet voorziet. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) overweegt de Raad voorts dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In dit geval is de procedure begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van 23 april 2010 en zal eindigen op de dag van deze uitspraak, 27 november 2013. De termijn van vier jaar is dus niet overschreden.
4.3.
Hetgeen is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.2 leidt tot de conclusie dat de tegen de aangevallen uitspraak aangevoerde grieven niet slagen.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) I.J. Penning

RH