ECLI:NL:CRVB:2013:2595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken belang bij vaststelling maandbedrag studieschuld
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin het maandbedrag van €65,97 per april 2012 voor de aflossing van haar studieschuld werd vastgesteld. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat het maandbedrag correct was vastgesteld volgens artikel 10a.6 van de Wet studiefinanciering 2000.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de studieschuld onjuist was berekend en dat de Minister ten onrechte geen draagkrachtmeting had uitgevoerd. Tevens vroeg zij om duidelijkheid over de verdere procedure.
De Raad stelde vast dat appellante sinds 1 april 2012 niets hoefde te betalen en ook feitelijk niets had betaald, zoals blijkt uit het door haar overgelegde Bericht Terugbetalen 2012. Hierdoor ontbrak het aan een actueel belang bij de uitspraak van de Raad, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
Tijdens de zitting werd besproken dat appellante jaarlijks een verzoek tot verlaging van het maandbedrag kan indienen om te voorkomen dat zij onterecht betalingsverplichtingen krijgt opgelegd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang omdat appellante feitelijk niets heeft betaald.