ECLI:NL:CRVB:2013:2596

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2013
Publicatiedatum
27 november 2013
Zaaknummer
13-3250 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 Wsf 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vordering wegens meerinkomen bij nullening en reisvoorziening in studiefinanciering

Appellant ontving over 2010 studiefinanciering in de vorm van een basisbedrag prestatiebeurs en reisvoorziening, gevolgd door een nullening met reisvoorziening. De Minister stelde een vordering vast wegens meerinkomen op grond van artikel 3.17 Wsf 2000.

Appellant voerde aan niet geïnformeerd te zijn over de consequenties van de nullening met reisvoorziening voor de bijverdienregeling, noch telefonisch noch schriftelijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat geen sprake was van onjuiste voorlichting door de Minister en dat de Minister geen verplichting had tot persoonlijke informatieverstrekking over de gevolgen van de nullening met reisvoorziening. Ook het vertrouwensbeginsel werd niet geschonden en de hardheidsclausule was niet van toepassing.

De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen wordt bevestigd omdat geen sprake is van onjuiste voorlichting of schending van het vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
13 juni 2013, 13/1799 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 27 november 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Appellant is verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. De Minister heeft appellant over de periode januari tot en met augustus 2010 op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) studiefinanciering verstrekt. Over de maanden januari tot en met april 2010 is die verstrekt in de vorm van een basisbedrag prestatiebeurs en een reisvoorziening en over de maanden mei tot en met augustus 2010 in de vorm van een nullening in combinatie met een reisvoorziening.
1.2. Bij besluit van 28 februari 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van de Minister van 2 februari 2013 ongegrond verklaard. In het besluit van
2 februari 2013 heeft de Minister onder toepassing van artikel 3.17 van de Wsf 2000 een vordering van in totaal € 1.568,74 ten laste van appellant vastgesteld wegens meerinkomen van appellant in het jaar 2010.
2.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.
Appellant stelt in hoger beroep dat de vordering niet redelijk is nu hij niet op de hoogte was van het feit dat de periode mei tot en met augustus 2010, waarin aan hem een nullening in combinatie met een reisvoorziening was toegekend, meetelt voor de bijverdienregeling. Deze informatie is hem niet telefonisch in contacten met de klantenservice van DUO, noch schriftelijk in de brief van de Minister van 5 februari 2010 meegedeeld.
4.
Het is de Raad niet gebleken dat appellant door de Minister mondeling dan wel schriftelijk onjuist is voorgelicht over de consequenties van het ontvangen van een nullening in combinatie met een reisvoorziening voor de bijverdienregeling. Er bestond voor de Minister dan ook geen aanleiding om in afwijking van het dwingendrechtelijke artikel 3.17 van de Wsf 2000 af te zien van het opleggen van de vordering wegens meerinkomen wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Er valt voorts geen rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan de Minister verplicht was appellant persoonlijk te informeren over de gevolgen van het ontvangen van een nullening met een reisvoorziening voor de toepassing van artikel 3.17 van de Wsf 2000. De omstandigheid dat de bijverdiengrens louter is overschreden wegens onwetendheid van appellant levert geen bijzondere omstandigheid op die de Minister aanleiding had moeten geven om onder toepassing van de hardheidsclausule de maanden mei tot en met augustus 2010 buiten beschouwing te laten bij de berekening van het meerinkomen.
5.
De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) I.J. Penning
JvC