Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:2598

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2013
Publicatiedatum
27 november 2013
Zaaknummer
13-3433 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 Wet studiefinanciering 2000Art. 6:11 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij studiefinanciering

Appellante werd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geconfronteerd met een terugvordering van €4.892,52 wegens te veel bijverdiensten in 2009. Zij maakte bezwaar, maar diende dit niet tijdig in omdat haar post bij de buren was bezorgd en zij deze te laat ontving. De Minister verklaarde het bezwaar ongegrond wegens termijnoverschrijding.

Appellante stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat de post bij haar buurvrouw was bezorgd. Ter onderbouwing overhandigde zij verklaringen van deze buurvrouw en correspondentie van de Belastingdienst. De rechtbank oordeelde echter dat onvoldoende was gebleken dat de buurvrouw daadwerkelijk op het adres woonde, dat de verklaring niet duidelijk maakte wanneer de post was ontvangen, en dat niet aannemelijk was dat het besluit pas na afloop van de termijn aan appellante was overhandigd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad vond de verklaring onvoldoende concreet en aannemelijk om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

13/3433 WSF
Datum uitspraak: 27 november 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
16 mei 2013, 12/981 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R. Tetteroo, advocaat. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 10 maart 2012 heeft de Minister onder toepassing van artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000 een vordering vastgesteld wegens te veel bijverdiensten van appellante in het jaar 2009. Appellante moet in totaal een bedrag van € 4.892,52 aan de Minister betalen.
1.2. Appellante heeft bij brief van 2 mei 2012 tegen het besluit van 10 maart 2012 bezwaar gemaakt. Appellante heeft desgevraagd te kennen gegeven dat zij het bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend omdat haar post bij de buren is bezorgd en zij de post te laat van de buren heeft ontvangen. Na ontvangst heeft ze zo snel mogelijk een bezwaarschrift ingediend.
1.3. Bij besluit van 1 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 maart 2012 ongegrond verklaard.
2.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Nadat de rechtbank het onderzoek had heropend heeft appellante, ter onderbouwing van haar hiervoor onder 1.2 weergegeven standpunt dat de termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar is te achten, een schriftelijke verklaring op naam van F.[Z.] ([Z.]) overgelegd waarin wordt gesteld dat deze persoon, wonende aan de[adres] te [woonplaats], de post van appellante heeft ontvangen.
2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet in de overgelegde verklaring op naam van[Z.] geen reden de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten omdat niet is gebleken dat op het adres[adres] te [woonplaats] daadwerkelijk iemand genaamd[Z.] woont en ook niet is gebleken dat het daadwerkelijk[Z.] is die die verklaring heeft opgesteld. Verder is ook niet gebleken in welke periode er post van appellante op dat adres is ontvangen en evenmin of daar de beslissing van 10 maart 2012 bij zat.
3.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding in bezwaar niet verschoonbaar is. Omstreeks maart 2012 is voor haar bestemde post, waaronder het besluit van 10 maart 2012, bezorgd bij haar buurvrouw[Z.] en die post heeft ze pas na afloop van de bezwaartermijn van haar buurvrouw ontvangen. Meteen nadat ze het besluit van 10 maart 2012 via haar buurvrouw had ontvangen heeft ze bezwaar gemaakt. Ter onderbouwing van het standpunt dat[Z.] woont op het adres[adres] te [woonplaats] en zij degene is die de verklaring heeft opgesteld, zijn een nadere ongedateerde verklaring van[Z.] en twee aan[Z.] op haar adres gezonden brieven van de belastingdienst overgelegd.
4.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien om aan te nemen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in bezwaar, als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. De in hoger beroep overgelegde nadere ongedateerde verklaring van[Z.] leidt de Raad niet tot een ander oordeel. In deze verklaring wordt, evenals in de in beroep overgelegde verklaring van[Z.], niet aangegeven in welke periode aan appellante gerichte post op het adres[adres] te [woonplaats] is ontvangen. Uit de verklaringen van[Z.] kan dan ook niet worden afgeleid dat, zoals appellante stelt, dit de periode maart 2012 betrof. Voorts is door[Z.] in het geheel niet verklaard dat, en waarom, zij op haar adres ontvangen post die bestemd was voor appellante, eerst kort voor 2 mei 2012 (datum van het bezwaarschrift) aan appellante heeft overhandigd. De Raad is dan ook van oordeel dat zo al voldoende aannemelijk kan worden geacht dat het besluit van 10 maart 2012 is bezorgd op het adres van[Z.], dit niet tot gevolg heeft dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten nu in ieder geval niet aannemelijk is geworden dat appellante dit besluit eerst na afloop van de bezwaartermijn via[Z.] heeft ontvangen.
5.
Uit wat onder 4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) I.J. Penning
JvC