Uitspraak
OVERWEGINGEN
8 oktober 2003 tot 1 april 2005 (periode 1)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving bijstand sinds 2003 en gebruikte een campingadres als tijdelijk verblijf. Het college trok de bijstand in en vorderde kosten terug wegens vermeende onjuistheden over woonplaats en gezamenlijke huishouding.
Na onderzoek en diverse verklaringen oordeelde de rechtbank dat voor periode 1 onvoldoende bewijs was dat betrokkene niet op de camping verbleef, maar voor periode 2 was het bewijs onvoldoende om de intrekking te rechtvaardigen. Voor periode 3 was sprake van een gezamenlijke huishouding, wat intrekking rechtvaardigde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had voor intrekking over periode 1 en 2 en herroept het besluit. Tevens oordeelde de Raad dat het college niet bevoegd was tot terugvordering van de kosten over de onderzochte periodes.
De Raad veroordeelde het college tot betaling van proceskosten aan betrokkene en bepaalde vergoedingen voor griffierechten. De uitspraak vervangt eerdere besluiten en bevestigt de vernietiging van de intrekking over de genoemde periodes.
Uitkomst: De Raad herroept de intrekking van de bijstand over periodes 1 en 3, bevestigt vernietiging voor periode 2 en verklaart het college niet bevoegd tot terugvordering.