Uitspraak
OVERWEGINGEN
9 juli 2008 ingetreden toename van arbeidsongeschiktheid een andere oorzaak heeft dan de arbeidsongeschiktheid die aanleiding was voor de WAO-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 2001 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke in 2006 werd ingetrokken omdat zijn arbeidsongeschiktheid toen minder dan 15% bedroeg. Na ziekmelding in 2008 wegens onder meer verslavingsproblematiek, werd hem in 2010 een WGA-uitkering toegekend. Werkgever maakte bezwaar tegen deze toekenning, waarna het Uwv het bezwaar gegrond verklaarde en appellant opnieuw een WAO-uitkering toekende met ingang van 2008.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de klachten uit 2008 voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere WAO-uitkering, namelijk psychische beperkingen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verslavingsproblematiek een andere oorzaak vormde dan de eerdere psychische klachten.
De Raad oordeelde dat appellant niet aan zijn bewijslast voldeed om het ontbreken van oorzakelijk verband aan te tonen. Uit medische rapporten blijkt dat de psychische beperkingen bepalend waren voor de arbeidsongeschiktheid over de gehele periode, waarbij recidiverende perioden van psychische beperkingen voorkomen. Het enkele feit dat verslavingsproblematiek op de voorgrond stond bij de toename in 2008, maakt niet dat sprake is van een andere oorzaak in de zin van artikel 43a van de WAO.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de toekenning van de WAO-uitkering bevestigd.