ECLI:NL:CRVB:2013:2745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs woonadres
Appellante had een bijstandsuitkering ontvangen maar deze werd ingetrokken omdat zij volgens het college een gezamenlijke huishouding voerde op een ander adres. Vervolgens vroeg zij bijstand aan als alleenstaande ouder met een ander opgegeven adres, maar het college wees deze aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van bewoning en niet meewerken aan een huisbezoek.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellante geen wijziging van omstandigheden had aangetoond die recht gaf op bijstand. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het huurcontract onvoldoende bewijs was en dat de bevindingen van het huisbezoek, zoals het ontbreken van babyvoeding, medicatie en persoonlijke spullen, een toereikende grondslag boden om te concluderen dat appellante niet op het opgegeven adres woonde.
Appellante voerde aan dat het huisbezoekrapport tendentieus was en dat haar moeilijke situatie in aanmerking moest worden genomen, maar dit werd verworpen. De Raad stelde dat artikel 16 WWB Pro niet van toepassing was en dat het hoger beroep daarom niet slaagde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van bewoning op het opgegeven adres.