ECLI:NL:CRVB:2013:2746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 24 augustus 2007. Uit een bestandsvergelijking door de belastingdienst bleek dat zij vermoedelijk over vermogen beschikte en bankrekeningen had die niet aan het college waren gemeld. Het college vroeg bankafschriften op over de periode van 1 november 2008 tot 31 juli 2009 en voerde een gesprek met appellante. Omdat haar verklaringen niet overeenkwamen met de bankgegevens, werden aanvullende afschriften en gegevens over haar arbeidsovereenkomst opgevraagd.
Het college trok bij besluit van 15 maart 2011 de bijstand in over de periode van 24 augustus 2007 tot en met 31 juli 2009 en vorderde € 23.173,42 terug wegens het niet overleggen van alle gevraagde gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar recht op bijstand wel kon worden vastgesteld omdat het totaal vermogen onder de vrijlatingsgrens bleef en zij geen inkomsten had genoten als distributeur.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden en dat het aan haar was om aannemelijk te maken dat zij recht had op bijstand indien zij volledig had meegewerkt. Dit is niet gelukt omdat niet alle bankafschriften waren overgelegd en daardoor geen inzicht bestond in tussentijdse mutaties en inkomsten. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand blijft gehandhaafd.