ECLI:NL:CRVB:2013:2761

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2013
Publicatiedatum
10 december 2013
Zaaknummer
12-444 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WWBArt. 17 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting over gokinkomsten

Appellant ontving sinds maart 2008 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van twijfels over de rechtmatigheid van de bijstand heeft het college een onderzoek ingesteld. Uit bankafschriften bleek dat appellant aanzienlijke bedragen had ontvangen die hij verklaarde te hebben verdiend met internetgokken. Ondanks verzoeken heeft appellant geen verifieerbare administratie verstrekt over zijn inkomsten en uitgaven uit het gokken.

Het college trok daarom de bijstand per 7 december 2010 in wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn bankafschriften voldoende inzicht geven in zijn inkomsten, omdat het gokken via internet en bankrekening verliep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gokinkomsten. De bankafschriften boden onvoldoende bewijs van de hoogte van de inkomsten. Daardoor kon niet worden vastgesteld dat appellant recht had op bijstand. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende inzicht in gokinkomsten en schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

12/444 WWB
Datum uitspraak: 10 december 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
14 december 2011, 11/2477 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te[woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Voor appellant is verschenen mr. Willering. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. B.A. Veenendaal.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 10 maart 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van bij het college gerezen twijfel omtrent de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft het college een onderzoek ingesteld. Tijdens een op 6 december 2010 met appellant gevoerd gesprek heeft hij onder andere verklaard dat hij verslavingsproblemen heeft. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften is daarnaast onder meer gebleken dat op 7 september 2010 een bedrag van € 1.290,93 is bijgeschreven op zijn bankrekening. Appellant heeft verklaard dat hij dit bedrag heeft verdiend met gokken. Tijdens een op 7 december 2010 afgelegd huisbezoek in de woning van appellant heeft hij vervolgens verklaard dat hij hoofdzakelijk via internet gokt. Tevens heeft hij verklaard dat in de periode van 3 september 2010 tot en met
3 december 2010 ongeveer € 10.000,- op zijn bankrekening is bijgeschreven en dat hij hiervan ongeveer € 3.000,- heeft gewonnen met gokken. Volgens appellant heeft hij geen winst gemaakt omdat de door hem ingezette en gewonnen bedragen ongeveer even hoog zijn. Ook nadat appellant daartoe in de gelegenheid was gesteld, heeft hij geen overzicht verstrekt van zijn inkomsten en uitgaven in verband met het gokken.
1.2.
De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
3 januari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 april 2011 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 7 december 2010 in te trekken. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant inkomsten heeft ontvangen uit gokken. Door hiervan geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Nu hij steeds wisselend heeft verklaard over de hoogte van zijn inkomsten en hij van de inkomsten geen administratie heeft bijgehouden, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant kan het recht op bijstand wel worden vastgesteld omdat zijn inkomsten niet hoger zijn dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Weliswaar heeft hij hiervan geen administratie bijgehouden, maar nu het gokken altijd via internet en dus via zijn bankrekening is gegaan, is aan de hand van zijn bankafschriften te zien wat zijn inkomsten en uitgaven zijn.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet betwist wordt dat appellant gedurende de periode in geding, te weten van
7 december 2010 tot en met 3 januari 2011, inkomsten heeft genoten uit gokken en dat hij bij het college geen mededeling heeft gedaan over de hieruit verkregen inkomsten.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven in de inkomsten die hij met het gokken heeft verkregen. Appellant heeft immers zelf verklaard dat hij hoofdzakelijk via internet gokt en dat hij hiervoor een zogenoemde virtuele bankrekening heeft geopend waarop hij via zijn bankrekening geld overmaakt. Het geld waarmee hij gokt is afkomstig van deze virtuele bankrekening en ook de winst die hij maakt wordt daarop overgemaakt. Ook in hoger beroep heeft appellant geen verifieerbare gegevens overgelegd van de inkomsten uit het gokken via het internet. De overgelegde bankafschriften zeggen daarover onvoldoende.
4.3.
Gelet hierop kan de rechtbank worden gevolgd in haar oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat, indien hij wel aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan, hij voor (aanvullende) bijstand in aanmerking kwam.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) O.P.L. Hovens

HD