ECLI:NL:CRVB:2013:2832
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.S. van der Kolk
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor passende arbeid
Appellant had bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bezwaar gemaakt tegen het besluit dat hij per 8 december 2010 geen recht meer had op ziekengeld. Het Uwv baseerde dit op de beoordeling dat appellant geschikt was voor functies zoals vastgesteld in 2003 in het kader van de WAO, met name de functie van samensteller metaalwaren.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij zij vooral waarde hechtte aan de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de functie van samensteller metaalwaren niet passend is vanwege de langdurige zittende werkzaamheden en het gebrek aan houdingsafwisseling.
De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld volgens artikel 19 Ziektewet Pro geldt bij ongeschiktheid voor de eigen arbeid als rechtstreeks medisch gevolg van ziekte. In dit geval is de maatstaf de laatstelijk verrichte arbeid, tenzij de verzekerde na de maximale ziekengeldtermijn blijvend ongeschikt is voor die arbeid, dan geldt gangbare arbeid zoals bij WAO-beoordeling.
De Raad vond de medische onderbouwing van het Uwv zorgvuldig en overtuigend. De bezwaararbeidsdeskundige had toegelicht dat de functie van samensteller metaalwaren binnen de beperkingen van appellant past. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Een vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.