ECLI:NL:CRVB:2013:2871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschotten WW zonder MKB-winstvrijstelling
Appellant ontving een WW-uitkering en kreeg toestemming om gedurende een startperiode werkzaamheden in zijn eigen bedrijf te verrichten met behoud van uitkering. Het UWV betaalde voorschotten waarbij 70% van de inkomsten als zelfstandige op de uitkering in mindering werd gebracht. Na controle bleek dat appellant meer had verdiend dan opgegeven, waarna het UWV een terugvordering van €755,70 instelde.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat bij de berekening van zijn inkomsten rekening had moeten worden gehouden met de MKB-winstvrijstelling, waardoor terugvordering niet aan de orde zou zijn. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW van toepassing was, waarin de MKB-winstvrijstelling buiten beschouwing werd gelaten.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde dat het UWV op grond van het Besluit de inkomsten en de terugvordering juist had vastgesteld. De Raad wees erop dat het Besluit niet voorzag in het aanmerken van de MKB-winstvrijstelling als inkomsten uit arbeid, zodat deze terecht niet werd betrokken bij de berekening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de MKB-winstvrijstelling niet heeft betrokken bij de terugvordering van teveel betaalde WW-voorschotten.