ECLI:NL:CRVB:2013:2892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot terugkomen op intrekking WAO-uitkering uit 2004
Appellante verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 6 april 2004 waarin haar WAO-uitkering werd ingetrokken. Dit verzoek werd afgewezen omdat de aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden betrekking hadden op een datum na het oorspronkelijke besluit en derhalve niet relevant waren voor heroverweging.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat het door appellante overgelegde medische rapport en andere stukken geen nieuwe feiten bevatten die relevant waren voor de peildatum van 23 maart 2004. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en verwees naar vaste rechtspraak dat nieuwe feiten die pas in hoger beroep worden ingebracht niet in aanmerking kunnen worden genomen.
De Raad benadrukte dat op verzoeken tot terugkomen van besluiten artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wat inhoudt dat alleen nieuwe feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn ontstaan of niet eerder konden worden aangevoerd, tot heroverweging kunnen leiden.
Gezien het ontbreken van dergelijke nieuwe feiten bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering is terecht afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.