ECLI:NL:CRVB:2013:818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2013
Publicatiedatum
3 juli 2013
Zaaknummer
11-4346 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 26 WmoArt. 16 Vmo 2009Art. 1 Wmo
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuiskostenvergoeding bij gebreken woning en CARA-klachten bevestigd

Betrokkene, die lijdt aan CARA-klachten, woonde sinds november 2008 in een woning met ernstige gebreken. Na een verhuizing in oktober 2009 vroeg hij een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten op grond van de Wmo, die door het college werd afgewezen omdat de verhuizing niet als een adequate voorziening werd gezien.

De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit van het college, omdat de verhuizing het gevolg was van belemmeringen door de beperking van betrokkene en omdat hij voldoende pogingen had gedaan om de verhuurder de gebreken te laten verhelpen. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college niet gehouden is een woonvoorziening te verstrekken bij achterstallig onderhoud, tenzij betrokkene goede pogingen heeft gedaan om de gebreken te laten verhelpen en er geen uitzicht was op herstel binnen een redelijk tijdsbestek. Betrokkene had herhaaldelijk de verhuurder verzocht de gebreken te verhelpen, maar het slechte binnenklimaat en vochtproblemen bleven bestaan.

Daarom was het college gehouden de verhuiskostenvergoeding toe te kennen. Het hoger beroep faalde en de eerdere uitspraak werd bevestigd. Het college werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt verworpen en de rechtbankuitspraak bevestigd; betrokkene ontvangt de verhuiskostenvergoeding.

Uitspraak

11/4346 WMO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van
10 juni 2011, 10/1135 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (appellant)
[A. te B.] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Het college heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. J.B. Bogaart een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Jans-Rakers. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. L.N. Geerman, kantoorgenoot van mr. Bogaart.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
Betrokkene, die CARA-klachten heeft, en zijn vriendin wonen sinds november 2008 in een woning aan [adres 1] te Geleen. Betrokkene heeft op
17 september 2009 een aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediend voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Op 30 oktober 2009 zijn betrokkene en zijn vriendin verhuisd naar [adres 2].
1.2.
Bij besluit van 26 oktober 2009 heeft het college de aanvraag - onder verwijzing naar de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Sittard-Geleen 2009 (Vmo 2009)
- afgewezen omdat betrokkene niet is verhuisd naar een voor hem adequate woning.
1.3.
Bij besluit van 27 mei 2010 is het bezwaar - onder verwijzing naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, onderdelen 5 en 6 en artikel 4 van Pro de Wmo - ongegrond verklaard omdat de verhuizing niet het gevolg is van belemmeringen die betrokkene als gevolg van zijn beperking (CARA) bij het gebruik van de woning aan [adres 1] ondervond. De verhuizing is volgens het college het gevolg van de deplorabele staat waarin deze woning verkeerde.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 mei 2010 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 26, tweede lid, van de Wmo vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verhuizing een gevolg was van belemmeringen die betrokkene als gevolg van zijn beperking (CARA) bij het gebruik van de woning aan [adres 1] ondervond. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 mei 1999, LJN AA8627, heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene voldoende heeft ondernomen om de verhuurder te bewegen de gebreken aan deze woning op te heffen en dat niet onomstotelijk kan worden geconcludeerd dat met het oog op de gezondheidstoestand van betrokkene binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek uitzicht was op opheffing van gebreken aan de woning. Voor betrokkene was het medisch noodzakelijk om naar andere woonruimte uit te zien.
3.
Het college heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Kern van het hoger beroep is dat de verhuizing van betrokkene uit de in deplorabele toestand verkerende en voor betrokkene ongeschikte woning aan [adres 1] niet kan worden aangemerkt als een voorziening ingevolge de Wmo en dat bovendien binnen een aanvaardbaar tijdsbestek zicht was op opheffing van de gebreken in deze woning.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
Tussen partijen is in geschil de vraag of de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat het college ten onrechte toekenning van een verhuiskostenvergoeding in verband met verhuizing van de woning aan [adres 1] naar de woning aan [adres 2] heeft geweigerd.
4.3.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat betrokkenes
CARA-klachten in de periode dat hij woonde aan [adres 1] zijn toegenomen en dat hij om die reden wilde verhuizen.
4.4.1.
Over de gehoudenheid van het college om een woonvoorziening te verstrekken als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud dan wel het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de daaromtrent geldende wettelijke eisen heeft de Raad in de in 2 genoemde uitspraak overwogen dat het college niet gehouden is een woonvoorziening te verstrekken. Dit beginsel lijdt naar het oordeel van de Raad evenwel uitzondering, als de betrokkene goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen en er met het oog op de gezondheidstoestand van betrokkene binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht was op opheffing van die gebreken. De Raad ziet geen aanleiding deze onder de Wvg tot stand gekomen uitspraak niet van toepassing te achten voor de Wmo.
4.4.2.
Betrokkene heeft de verhuurder van de woning aan [adres 1] met regelmaat verzocht om de gebreken in de woning weg te nemen. Op verzoek van betrokkene hebben een sociaal verpleegkundige van de GGD Zuid Limburg en een medewerker van de gemeente Sittard-Geleen op 21 en 22 juli 2009 een huisbezoek aan [adres 1] gebracht. Blijkens hun rapportages van 30 juli 2009 en 23 juli 2009 was in genoemde woning sprake van een slecht binnenklimaat (waaronder vocht, schimmel en ventilatieproblemen) en bouwtechnische kwaliteitsproblemen.
4.4.3.
Vervolgens heeft de verhuurder weliswaar enige aanpassingen aan de woning gedaan waaronder het aanbrengen van rookmelders en het afdoppen van de reeds afgesloten geiser, maar de problemen in verband met het slechte binnenklimaat en met name de vocht- en schimmelproblemen werden daardoor niet verholpen. Tijdens de zitting van de Raad heeft betrokkene aangegeven dat hij de verhuurder - en na zijn overlijden zijn erfgenamen
- regelmatig maar tevergeefs heeft verzocht om de gebreken in de woning waardoor zijn CARA-klachten toenamen, te verhelpen.
4.4.4.
Nu uit het voorgaande blijkt dat betrokkene regelmatig goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen en er met het oog op de gezondheidstoestand van betrokkene binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht was op opheffing van die gebreken, was het college gehouden om de door betrokkene gevraagde verhuiskostenvergoeding te verstrekken.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.6.
Ter voorlichting van appellant wijst de Raad er op dat het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen waarbij aan betrokkene een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder a, van de Vmo 2009 wordt verstrekt.
5.
De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van de kosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 944,--, voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, op € 46,42 voor reiskosten in hoger beroep en op € 75,12 voor het opvragen van inlichtingen bij de behandelend sector.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van de proceskosten tot een bedrag van
in totaal € 1.065,54.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) M.R. Schuurman

QH