ECLI:NL:CRVB:2013:845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaren tegen AWBZ-indicatiebesluiten niet-ontvankelijk wegens gebrek aan machtiging mentor
Appellanten dienden aanvragen in voor zorg op grond van de AWBZ, waarna de rechtbank Groningen mentorschap en bewind over hen instelde. De mentor werd benoemd en appellanten waren daardoor onbevoegd om zelfstandig rechtshandelingen te verrichten betreffende verzorging en begeleiding.
De voormalige gemachtigde van appellanten maakte bezwaar tegen besluiten van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), maar zonder machtiging van de mentor werden deze bezwaren door CIZ niet-ontvankelijk verklaard. Appellanten stelden dat zij ondanks het mentorschap zelfstandig mochten procederen bij conflicterende belangen en dat later alsnog een machtiging was afgegeven.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond omdat geen machtiging was verstrekt. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en overwoog dat op grond van artikel 1:453 BW Pro appellanten tijdens het mentorschap niet bevoegd waren om bezwaar te maken zonder toestemming van de mentor. De machtiging werd pas na de bestreden besluiten verleend, waardoor CIZ terecht de bezwaren niet-ontvankelijk verklaarde.
De Raad wees proceskostenveroordeling af en bevestigde de aangevallen uitspraken van de rechtbank Groningen.
Uitkomst: De bezwaren van appellanten zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging van de mentor.