ECLI:NL:CRVB:2013:868

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2013
Publicatiedatum
5 juli 2013
Zaaknummer
12-5369 ZW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellante stelde verzet in tegen deze beslissing, stellende dat zij geen nota of aangetekende brief had ontvangen en dat deze mogelijk aan een verkeerd adres waren verzonden.

De Raad stelde vast dat de nota en de aangetekende brief correct naar het adres van appellante waren verzonden en dat deze niet retour waren ontvangen. Volgens informatie van PostNL was de brief van 13 december 2012 op 14 december 2012 afgeleverd op het adres van appellante. Bovendien had appellante haar gemachtigde op 27 december 2012 gemachtigd en waren de gronden van het hoger beroep ingediend.

De Raad oordeelde dat het op de weg van appellante lag om haar gemachtigde te informeren over de ontvangen brieven met betrekking tot het griffierecht. Omdat appellante dit kennelijk niet heeft gedaan, kon niet worden geoordeeld dat zij niet in verzuim was. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding om appellante te veroordelen in de proceskosten van het verzet.

Uitkomst: Het verzet van appellante wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

12/5369 ZW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 augustus 2012, 11/2623 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats](appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 6 maart 2013 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 6 maart 2013 heeft M. Ercelik namens appellante verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 mei 2013, waar partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 6 maart 2013 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 13 december 2012 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In de financiële administratie van de Raad is geen door of namens appellante gedane betaling aangetroffen.
In het verzetschrift heeft de gemachtigde van appellante verklaard dat hij geen nota of aangetekende brief heeft ontvangen en dat deze brieven mogelijk aan een verkeerd adres zijn verzonden. De gemachtigde heeft daarbij aangegeven dat appellante hem op 27 december 2012 heeft gemachtigd.
De Raad ziet hierin geen grond voor het oordeel dat (de gemachtigde van) appellante niet kan worden verweten dat het griffierecht niet is betaald. Appellante heeft zelf hoger beroep ingesteld. De nota van 6 november 2012 en de aangetekend verzonden brief van 13 december 2012 zijn - dus - naar het adres van appellante verzonden. Deze brieven zijn bij de Raad niet retour ontvangen. Blijkens informatie van PostNL is de brief van 13 december 2012 op
14 december 2012 afgeleverd op het adres van appellante. Op 27 december 2012 heeft
M. Ercelik zich als gemachtigde van appellante gesteld en de gronden van het hoger beroep ingediend. De Raad is van oordeel dat het op de weg van appellante had gelegen haar gemachtigde te informeren over de door haar ontvangen brieven met betrekking tot het griffierecht. Appellante heeft haar gemachtigde er kennelijk wel over geïnformeerd dat de gronden van het hoger beroep voor 28 december 2012 moesten zijn ingediend.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van
D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2013.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven
GdJ