Appellant was sinds 1 juli 2007 als directeur werkzaam bij een coöperatieve vereniging die diensten verleende aan pensioenfondsen. Na het faillissement van de coöperatie in december 2010 werd zijn arbeidsovereenkomst opgezegd en vroeg hij het Uwv om overname van de betalingsverplichting onder de WW. Het Uwv wees dit af omdat appellant geen werknemer zou zijn in de zin van de WW. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij als directeur-enig bestuurder wel degelijk onder gezag van de Algemene Ledenvergadering (ALV) stond, die bevoegd was tot het laten aftreden van bestuurders. De Raad beoordeelde dat aan de drie criteria voor een arbeidsovereenkomst werd voldaan: persoonlijke arbeid, gezagsverhouding en loonbetaling. De Raad volgde de formele benadering van de Hoge Raad dat een bestuurder van een coöperatie onder het gezag van de ALV staat.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het Uwv op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, inclusief een beslissing over wettelijke rente. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.