ECLI:NL:CRVB:2013:892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en woonde aanvankelijk bij zijn broer. Vanaf 26 juli 2011 huurde hij zelfstandige woonruimte aan het uitkeringsadres, waar hij met zijn kinderen stond ingeschreven. Na een verzoek om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder startte het college een onderzoek naar zijn woonsituatie.
Tijdens een huisbezoek op 20 september 2011 constateerden handhavingsspecialisten dat de woning vrijwel leeg was, met slechts een matras, enkele persoonlijke spullen en verfpotten aanwezig. Appellant stelde dat hij de woning aan het opknappen was en er sliep en at, maar dit werd door de Raad als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege het ontbreken van essentiële gebruiksvoorwerpen.
Het college trok daarom de bijstand met ingang van 20 september 2011 in, wat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onvoldoende was, maar de Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen toereikend waren en het hoger beroep ongegrond was. De bijstandintrekking bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat het college de bijstand terecht heeft ingetrokken.