In deze zaak stond het beroep van appellante tegen beslissingen van de Sociale verzekeringsbank (Svb) omtrent haar recht op een Algemene nabestaandenwet (ANW)-uitkering centraal. De Svb had aanvankelijk geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een ANW-uitkering omdat haar overleden echtgenoot niet verzekerd was op het moment van overlijden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in een tussenuitspraak dat de Svb onvoldoende onderzoek had gedaan naar de plaats van overlijden en de gevolgen daarvan voor het recht op uitkering.
Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft de Svb een nieuw besluit genomen waarbij appellante een pro rata ANW-uitkering voor juli 2008 werd toegekend, aangezien zij in augustus 2008 de leeftijd van 65 jaar bereikte en daarmee geen recht meer had op de uitkering. De Raad verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk omdat dit besluit was ingetrokken en appellante geen schadevergoeding vorderde.
Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard omdat de Svb het recht juist had toegepast, mede op basis van Europese verordeningen die de toekenning van de pro rata uitkering ondersteunen. De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellante.