Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:979

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juni 2013
Publicatiedatum
12 juli 2013
Zaaknummer
10-6751 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 ANWArt. 8:57 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling pro rata ANW-uitkering na intrekking eerdere weigering

In deze zaak stond het beroep van appellante tegen beslissingen van de Sociale verzekeringsbank (Svb) omtrent haar recht op een Algemene nabestaandenwet (ANW)-uitkering centraal. De Svb had aanvankelijk geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een ANW-uitkering omdat haar overleden echtgenoot niet verzekerd was op het moment van overlijden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in een tussenuitspraak dat de Svb onvoldoende onderzoek had gedaan naar de plaats van overlijden en de gevolgen daarvan voor het recht op uitkering.

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft de Svb een nieuw besluit genomen waarbij appellante een pro rata ANW-uitkering voor juli 2008 werd toegekend, aangezien zij in augustus 2008 de leeftijd van 65 jaar bereikte en daarmee geen recht meer had op de uitkering. De Raad verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk omdat dit besluit was ingetrokken en appellante geen schadevergoeding vorderde.

Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard omdat de Svb het recht juist had toegepast, mede op basis van Europese verordeningen die de toekenning van de pro rata uitkering ondersteunen. De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 22 februari 2010 wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 11 maart 2013 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
10/6751 ANW, 13/2074 ANW
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 september 2010, 10/1569 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats], Bosnië-Herzegovina (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 14 december 2012 een tussenuitspraak,
LJN BY8025, gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb bij brief van 11 maart 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden van dezelfde datum.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft de Svb, beslissend op bezwaar, geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), omdat haar overleden echtgenoot, op de datum van zijn overlijden, niet verzekerd was voor de ANW.
1.3. De Raad heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de Svb onvoldoende onderzoek had gedaan naar de plaats van overlijden van de echtgenoot van appellante en de mogelijke gevolgen daarvan voor het recht op een ANW-uitkering van appellante.
1.4. Met de beslissing van 11 maart 2013 heeft de Svb aan appellante een pro rata
ANW-uitkering toegekend aan appellante voor de maand juli 2008. In dit besluit is het besluit
van 22 februari 2010 ingetrokken.
2.1. Aangezien het besluit van 11 maart 2013 niet geheel aan het beroep van appellante tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 13/2074 AOW.
2.2. Nu het besluit van 22 februari 2010 door de Svb is ingetrokken en appellante niet om vergoeding van schade heeft verzocht, heeft zij geen belang bij een beoordeling van dit besluit. De Raad zal dan ook het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
2.3. Ten aanzien van het besluit van 11 maart 2013 is de Raad van oordeel dat de Svb een juiste uitvoering heeft gegeven aan de ANW en de van toepassing zijnde Europees rechtelijke bepalingen. De echtgenoot van appellante is onder andere werkzaam geweest in Nederland, Duitsland en Slovenië en is overleden in Engeland. Appellante ontvangt uit Duitsland en Slovenië een nabestaandenpensioen. Op grond van Verordening (EG) nr. 1408/71 en Verordening (EG) nr. 859/2003 heeft de Svb terecht aan appellante een pro rata
ANW-uitkering toegekend. De Svb is ook op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat deze uitkering alleen toegekend kan worden voor de maand juli 2008, nu appellante in augustus 2008 65 jaar is geworden en zij dus, gezien artikel 16, eerste lid, onder c, van de ANW geen recht meer kan hebben op een ANW-uitkering.
2.4. Uit 2.3 volgt dat het beroep, voor zover geacht te zijn gericht tegen het besluit van
11 maart 2013, ongegrond verklaard zal worden.
3.
De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten worden begroot op € 472,- in beroep en eveneens € 472,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 22 februari 2010 niet ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 11 maart 2013 ongegrond;
  • veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 944,-;
  • bepaalt dat de Svb aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2013.
(getekend) E.E.V Lenos
(getekend) R.L. Rijnen
JvC
Centralno žalbeno veće
  • poništava ožalbenu presudu;
  • proglašava žalbu protiv rešenja od 22. februra 2010. godine nedopustivom;
  • proglašava žalbu protiv rešenja od 11. marta 2013. godine neosnovanom;
  • osuđuje Banku socijalnog osiguranja (Svb) da plati sudske troškove apelantkinje do iznosa u visini od € 944,-;
  • određuje da Banka socijalnog osiguranja (Svb) apelantkinji nadoknadi plaćene sudske takse u visini od € 152,-;
Presudu je doneo E.E.V. Lenos, u prisustvu R.L. Rijnen u svojstvu zapisničara.
Rešenje je izrečeno na javnom zasedanju dana 27. juna 2013. godine.