ECLI:NL:CRVB:2013:BY7949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstand wegens weigering arbeidsinschakeling na medisch onderzoek
Appellant ontving bijstand sinds 2007 en werd begeleid naar werk door de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Rotterdam. Na een medisch onderzoek in april 2010 bleek appellant beperkingen te hebben, maar was geschikt voor aangepast werk bij re-integratiebedrijf Sagenn. Op 22 april 2010 werd van appellant verwacht dat hij de arbeidsovereenkomst zou tekenen en aan het werk zou gaan. Appellant weigerde dit zonder schriftelijke garantie over schadevergoeding.
Het college legde aanvankelijk een maatregel op van 100% verlaging van de bijstand wegens weigering algemeen geaccepteerde arbeid. Na bezwaar handhaafde het college dit besluit, maar trok het later in en stelde een verlaging van 20% voor een maand vast omdat appellant niet voldeed aan de verplichting om gebruik te maken van de aangeboden voorziening.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en het besluit van 13 september 2010. De Raad oordeelt dat appellant redelijkerwijs op 22 april 2010 de arbeidsovereenkomst had moeten tekenen, omdat zijn medische problematiek was onderzocht en hij akkoord ging met het advies. De verlaging van 20% is passend en het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard.
Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant en dient het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 8 januari 2013 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De maatregel tot verlaging van de bijstand wordt beperkt tot 20% gedurende een maand wegens weigering arbeidsinschakeling.