ECLI:NL:CRVB:2013:BY8629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken dringende redenen
Appellante, die bijstand ontving als alleenstaande, verbleef langer dan toegestaan in het buitenland, waarna haar bijstand werd ingetrokken. Zij vroeg bijstand met terugwerkende kracht aan voor de periode van 1 april tot en met 30 juli 2009. Het college wees dit af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden die terugwerkende kracht rechtvaardigen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand. In hoger beroep stelde appellante dat haar ziekte in India de arbeidsverplichtingen opschortte en zij recht had op verlengd verblijf met behoud van bijstand. De Raad oordeelde dat het intrekkingsbesluit onherroepelijk was en dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De Raad splitste de periode in drieën: voor 20 april 2009 was bijstand reeds verleend; voor 21 april tot 3 juni 2009 was al besluitvorming geweest; en voor 4 juni tot 30 juli 2009 waren geen nieuwe feiten aangetoond. Medische stukken toonden geen acute noodsituatie of absoluut reisverbod. Bovendien voorzag de moeder van appellante in de noodzakelijke kosten. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van bijstand met terugwerkende kracht wordt bevestigd.