ECLI:NL:CRVB:2013:BY9285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving vanaf mei 2005 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant niet op het opgegeven adres woonde, voerde de gemeente Amsterdam een heronderzoek uit. Tijdens dit onderzoek verklaarde appellant dat hij sinds 2005 oud ijzer, koper en andere materialen ophaalde en verhandelde, zonder hiervan inkomsten te melden aan het college.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 december 2005 in wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellant geen controleerbare gegevens over zijn inkomsten had verstrekt. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de intrekking onredelijk was omdat het om geringe inkomsten ging en hij recht had op aanvullende bijstand. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bijstand over de periode, mede door het ontbreken van een deugdelijke administratie.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand vanaf 1 december 2005 wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.