ECLI:NL:CRVB:2013:BY9644
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vervolguitkering WIA zonder duurbeperking bij arbeidsongeschiktheid van 35-45%
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn loongerelateerde uitkering om te zetten in een vervolguitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 35 en 45%. De duurbeperking die eerder tijdelijk was gesteld, werd door de verzekeringsartsen per 1 maart 2010 niet langer aangewezen. Appellant voerde aan dat beperkingen bij het persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden ten onrechte waren vervallen en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van maart 2009 nog steeds van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat de duurbeperking terecht was komen te vervallen en dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd. De bezwaarverzekeringsarts baseerde zijn oordeel mede op informatie van medisch specialisten en eigen onderzoek, ondanks het uitblijven van antwoorden van een GGZ-arts. De Raad sluit zich aan bij deze overwegingen en benadrukt dat appellant geen nieuwe medische stukken heeft ingediend ter ondersteuning van zijn standpunten.
De Raad stelt vast dat de verzekeringsartsen een goede concentratie bij appellant hebben vastgesteld en dat de FML geen beperkingen vermeldt ten aanzien van het zelf bepalen van zitten, staan of lopen. De functies die bij de schatting betrokken zijn, kunnen door appellant worden verricht. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vervolguitkering zonder duurbeperking bevestigd.