ECLI:NL:CRVB:2013:BY9644

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4694 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vervolguitkering WIA zonder duurbeperking bij arbeidsongeschiktheid van 35-45%

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn loongerelateerde uitkering om te zetten in een vervolguitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 35 en 45%. De duurbeperking die eerder tijdelijk was gesteld, werd door de verzekeringsartsen per 1 maart 2010 niet langer aangewezen. Appellant voerde aan dat beperkingen bij het persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden ten onrechte waren vervallen en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van maart 2009 nog steeds van toepassing was.

De rechtbank oordeelde dat de duurbeperking terecht was komen te vervallen en dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd. De bezwaarverzekeringsarts baseerde zijn oordeel mede op informatie van medisch specialisten en eigen onderzoek, ondanks het uitblijven van antwoorden van een GGZ-arts. De Raad sluit zich aan bij deze overwegingen en benadrukt dat appellant geen nieuwe medische stukken heeft ingediend ter ondersteuning van zijn standpunten.

De Raad stelt vast dat de verzekeringsartsen een goede concentratie bij appellant hebben vastgesteld en dat de FML geen beperkingen vermeldt ten aanzien van het zelf bepalen van zitten, staan of lopen. De functies die bij de schatting betrokken zijn, kunnen door appellant worden verricht. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vervolguitkering zonder duurbeperking bevestigd.

Uitspraak

11/4694 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 juni 2011, 10/1578 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 januari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.B.Th Koekkoek, werkzaam bij CNV vakmensen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellant noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
1.1. Het Uwv heeft bij besluit van 14 december 2009 de op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan appellant toegekende loongerelateerde uitkering met ingang van 12 februari 2010 omgezet naar een vervolguitkering. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het UWV de hoogte van de vervolguitkering vanaf 1 maart 2010 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.2. Bij besluit van 2 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 15 december 2009 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellant per 1 maart 2010 vastgelegd op basis van eigen onderzoek en informatie van neuroloog
H.J. Weitenberg en longarts J. van der Maten. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij GGZ-arts G. Dekker. Ondanks rappelbrieven is antwoord uitgebleven. De bezwaarverzekeringsarts heeft de beoordeling van de psychische klachten verricht op basis van eigen indrukken en heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zijn bij deze toestand enige beperkingen ten aanzien van arbeid aan te nemen op gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, hetgeen de verzekeringsarts ook heeft gedaan en is er weliswaar een afname van beperkingen ten aanzien van arbeid ten opzichte van maart 2009, maar is dit overeenstemmend met een gunstiger indruk van eiser in interactie (de toestand imponeert als gunstiger dan in maart 2009) en met de voorgenomen en voorgehouden geleidelijke afbouw in duurbeperking. Ook de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er psychisch niet al te grote beperkingen meer zijn en er vooral sprake is van sociale problematiek. De rechtbank heeft deze conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen plausibel geacht. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige de geschiktheid van de geduide functies afdoende heeft gemotiveerd.
3.1. In hoger beroep heeft appellant -opnieuw- aangevoerd dat de verzekeringsartsen ten onrechte beperkingen bij het persoonlijk en sociaal functioneren en bij de werktijden hebben laten vervallen ten opzichte van de beoordeling in maart 2009. Volgens appellant is de situatie feitelijk niet anders dan die zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van maart 2009. Appellant acht zich in verband met vermoeidheid beperkt wat betreft concentratie. Hij is van mening dat de geduide functies daarom dienen te vervallen. Onder verwijzing naar een opmerking van de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 9 juli 2009 heeft appellant opnieuw aangevoerd dat hij zelf moet kunnen bepalen of hij kan zitten, lopen of staan.
3.2. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de opmerking van de arbeidsdeskundige, die niet meer terugkomt in zijn vervolgrapportage van 8 december 2009, niet berust op enige door de verzekeringsartsen gesignaleerde beperkingen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Hetgeen appellant heeft aangevoerd in hoger beroep vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. Appellant heeft geen nieuwe medische stukken ingediend die zijn gronden nader ondersteunen.
4.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de op 6 maart 2009 aangenomen duurbeperking tijdelijk was gesteld en dat de verzekeringsartsen voldoende hebben onderbouwd dat per de datum in geding, 1 maart 2010, niet langer een duurbeperking is aangewezen. De Raad verenigt zich met de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. De Raad voegt hieraan toe dat de verzekeringsartsen bij appellant een goede concentratie hebben vastgesteld. Ten aanzien van het in hoger beroep herhaalde standpunt dat appellant zelf moet kunnen bepalen of hij kan zitten, staan of lopen heeft de rechtbank terecht overwogen dat in de FML op dit punt geen beperkingen zijn opgenomen.
4.3. Uitgaande van de juistheid van de FML, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant met de vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht de bij de schatting betrokken functies te verrichten.
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) E. Heemsbergen
TM