ECLI:NL:CRVB:2013:BY9829

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-7554 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant ontvangt sinds december 2003 een WAO-uitkering van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. In mei 2010 verzocht hij om verhoging van deze uitkering wegens toegenomen klachten. Het UWV wees dit verzoek per november 2010 af en verklaarde het bezwaar hiertegen in mei 2011 ongegrond. De rechtbank Almelo bevestigde dit besluit in december 2011.

Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn diagnose PTSS. Hij betoogde dat de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting afwezig was en dat de rapportages van verzekeringsartsen ten onrechte zwaarder wogen dan het oordeel van een psychiater. Tevens voerde hij aan dat een primaire verzekeringsarts een volledige WAO-uitkering had toegezegd indien hij in 2005 een psychiater had bezocht.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook informatie van de huisarts was ingewonnen. De afwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting maakte de conclusie niet onjuist. De Raad verwierp de stelling over de toezegging van een volledige uitkering als niet aannemelijk. Tevens werd het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige afgewezen wegens gebrek aan twijfel over de juistheid van het onderzoek.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan op 25 januari 2013 door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van herziening van de WAO-uitkering.

Uitspraak

11/7554 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 14 december 2011, 11/519 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 25 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [E.]. Voor het Uwv is verschenen T. van der Weert.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontvangt per 16 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschikt van 15 tot 25%.
1.2. Op 20 mei 2010 heeft appellant verzocht om verhoging van zijn WAO-uitkering omdat hij meer klachten ondervindt.
2. Bij besluit van 25 november 2010 heeft het Uwv geweigerd om per 1 januari 2009 de WAO-uitkering te herzien.
3. Bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 25 november 2010 ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Het medisch onderzoek is niet zorgvuldig verricht. Anders dan in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts is vermeld, was deze tijdens de hoorzitting niet aanwezig. Ten onrechte wordt aan de rapportages van de verzekeringsartsen meer waarde toegekend dan aan het medisch oordeel van een psychiater. Bij appellant is de diagnose PTSS gesteld. Hiermee is onvoldoende rekening gehouden. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat de primaire verzekeringsarts heeft toegezegd dat appellant een volledige WAO-uitkering zou krijgen als blijkt dat appellant in 2005 een psychiater heeft bezocht.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant. Wat er ook zij van de stelling van appellant dat er bij de hoorzitting geen bezwaarverzekeringsarts aanwezig was, niet gebleken is dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist is. In dit verband is mede van belang dat appellant ter zitting van de Raad heeft aangegeven dat hij thans niet meer onderzocht wil worden door een bezwaarverzekeringsarts.
Ook de stelling van appellant dat de primaire verzekeringsarts heeft toegezegd dat appellant een volledige WAO-uitkering zou krijgen als blijkt dat hij in 2005 een psychiater had bezocht, leidt niet tot een ander oordeel. Een dergelijke opmerking van een verzekeringsarts is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en ligt evenmin voor de hand.
6.3. Het verzoek van appellant aan de Raad om een onafhankelijke deskundige te benoemen, wordt niet ingewilligd. De hiervoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van het medisch onderzoek en de daaruit voortvloeiende conclusies ontbreekt.
7. Uit 6.2 en 6.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) K.E. Haan
JL