ECLI:NL:CRVB:2013:BY9830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van den Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs woonadres
Appellant vroeg bijstand aan per 21 april 2010 na beëindiging van zijn dienstverband en gaf op dat hij woonde op een kameradres te [plaatsnaam 1]. Omdat hij geen betalingsbewijs van de huur kon tonen en bankafschriften naar een ander adres werden gestuurd, startte de gemeente Utrecht een onderzoek. Medewerkers van Team Handhaving probeerden onaangekondigde huisbezoeken te brengen, maar appellant werd niet aangetroffen. Een 12-jarige bewoner noemde appellant niet als inwoner.
Het college wees de aanvraag bijstand af op basis van deze bevindingen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk op het kameradres woonde en bracht een getuige op die dit bevestigde.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de relevante periode op het kameradres woonde. Hij was niet thuis bij huisbezoeken, reageerde niet op oproepen en gaf wisselende verklaringen over het niet ontvangen van brieven. De verklaring van de getuige werd niet doorslaggevend geacht. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonde op het opgegeven kameradres.