ECLI:NL:CRVB:2013:BY9893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellant ontving sinds 1994 een WAO-uitkering wegens ernstige gezondheidsklachten en hervatte in 2007 het werk als schoonmaker voor 38 uur per week. Na uitval in 2008 wegens toegenomen klachten werd de WAO-uitkering in 2010 ingetrokken omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn maatgevende arbeid. In 2011 meldde appellant zich ziek vanwege verergerde klachten, waarna het UWV besloot het recht op ziekengeld per 4 november 2011 te beëindigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de verzekeringsartsen hun medische beoordeling zorgvuldig hadden uitgevoerd en geen nieuwe medische informatie was aangeleverd die tot een ander oordeel zou leiden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn situatie was verslechterd en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door geen aanvullende informatie op te vragen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding om een deskundige in te schakelen, omdat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die het eerdere oordeel kunnen wijzigen. De intrekking van het recht op ziekengeld blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het recht op ziekengeld bevestigd.