ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij terugvordering bijstand
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB naast een WAO-uitkering. Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag van €6.649,28 terug omdat de WAO-inkomsten hoger bleken door een toeslag. Appellante maakte bezwaar buiten de termijn, stellende dat zij geen reden had binnen de termijn bezwaar te maken omdat zij verwachtte dat de terugvordering zou worden verrekend met de toeslag.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en oordeelde dat de overschrijding niet verschoonbaar was. Appellante stelde in hoger beroep dat de omstandigheden na de termijn wijzigden en dat zij geen invloed had op het verloop.
De Raad oordeelde dat het risico voor het ontdekken van de feiten bij appellante lag en dat zij redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de terugvordering. De brief van het college gaf aan dat terugbetaling binnen 30 dagen moest plaatsvinden en dat een betalingsregeling mogelijk was, zonder melding van verrekening met de toeslag. Ook bleek uit correspondentie met het UWV dat appellante op de hoogte was van de verrekening met een openstaande schuld.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.