ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0082
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding vanaf november 2007
Appellant was gehuwd met betrokkene met wie hij twee kinderen heeft. Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande ouder van maart 2004 tot november 2009. Na onderzoek van de Sociale Recherche stelde het college vast dat appellant vanaf november 2007 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Het college trok de bijstand van betrokkene in over de periode 1 maart 2005 tot en met 9 november 2009 en stelde appellant hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat alleen vanaf november 2007 voldaan is aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van gezamenlijke huishouding. Voor de periode daarvoor is onvoldoende bewijs dat appellant zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij alleen de periode vanaf november 2007 wordt betrokken. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode tot november 2007 en het college moet een nieuw besluit nemen voor de periode vanaf november 2007.