ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1184
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant had zijn Ziektewetuitkering ontvangen na ziekmelding wegens nek- en liesklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts werd hij hersteld verklaard en werd de uitkering beëindigd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts, die geen medische afwijkingen vond die de klachten konden verklaren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond, omdat er geen aanwijzingen waren dat het onderzoek of de uitkomst onjuist waren. In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten, maar kon deze niet onderbouwen met objectieve medische gegevens.
De Raad overwoog dat de maatstaf voor arbeid de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid is, tenzij de verzekerde blijvend ongeschikt is, waarna de WAO-maatstaf geldt. Omdat appellant geschikt werd geacht voor functies volgens de WAO-maatstaf, was het besluit juist. De klachten van appellant waren in de beoordeling betrokken, maar gaven geen aanleiding tot afwijking van het oordeel. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid.