ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1444
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen schorsing AOW-uitkering wegens overschrijding bezwaartermijn
Verzoeker maakte bezwaar tegen de schorsing van zijn AOW-uitkering per december 2011, maar diende dit bezwaar pas na afloop van de wettelijke bezwaartermijn in. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde vervolgens het beroep van verzoeker ongegrond wegens gebrek aan belang.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat verzoeker wel degelijk belang heeft bij het aanvechten van het schorsingsbesluit, ook al is de schorsing later opgeheven en nabetaling toegekend. Verzoeker kan nog steeds een schadevergoeding vorderen. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep alsnog ongegrond op de inhoudelijke grond dat het bezwaar niet tijdig is ingediend.
De Raad wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en bepaalt dat de Svb het betaalde griffierecht aan verzoeker moet vergoeden. Verzoekers gezondheidsproblemen en gevorderde leeftijd rechtvaardigen geen uitzondering op de bezwaartermijn, temeer daar hij geen medische stukken overlegde.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige bezwaarprocedures en bevestigt dat overschrijding van de termijn zonder gegronde reden leidt tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.
Uitkomst: Het beroep tegen de schorsing van de AOW-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens niet-tijdig ingediend bezwaar.