ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1589

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 januari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
10-3496 AWBZ-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 ZorgindicatiebesluitArt. 7 Zorgindicatiebesluit
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging indicatie persoonlijke verzorging binnen klasse 3 ondanks afwijking norm beleidsregels AWBZ

In deze zaak is in hoger beroep beoordeeld of het besluit van 30 juli 2009, waarbij de indicatie voor persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ werd vastgesteld op 4 tot 6,9 uur per week (klasse 3), terecht in stand kon blijven. De appellant betoogde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de indicatie onvoldoende rekening hield met zijn verzorgingsbehoeften, zoals het verzorgen van nagels en het opzetten van een zuurstofmasker.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met een huisbezoek en actuele medische informatie van huisarts en specialist. De adviserend arts mocht op grond van het Zorgindicatiebesluit afzien van een eigen lichamelijk onderzoek. De stelling van appellant over handklachten werd niet gevolgd, omdat daarvoor geen medische aanwijzingen bestonden ten tijde van het onderzoek.

Hoewel de Raad onvoldoende gemotiveerd acht waarom is afgeweken van de beleidsregels voor de normtijd van aankleden en uitkleden, leidt dit niet tot vernietiging van het besluit. Zelfs bij toepassing van de standaardnormen blijft de indicatie binnen klasse 3. Ook de door appellant gewenste indicering voor nagelverzorging en zuurstofmasker valt binnen deze klasse.

De aangevallen uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage wordt daarmee bevestigd, en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 januari 2009 blijft ongegrond.

Uitkomst: De indicatie voor persoonlijke verzorging blijft gehandhaafd binnen klasse 3; het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/3496 AWBZ-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 mei 2010, 09/6480 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg te Driebergen (CIZ)
Datum uitspraak: 23 januari 2013
Zitting hebben: G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en A.J. Schaap en M.I. ’t Hooft als leden.
Griffier: A.C. Oomkens
Ter zitting zijn verschenen: appellant, bijgestaan door mr. L. Kuijper; CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.R. Kater.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Het geschil in hoger beroep betreft de vraag of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 30 juli 2009 in stand heeft gelaten. Bij dat besluit is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 januari 2009 ongegrond verklaard. De - in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gegeven - indicatie voor persoonlijke verzorging naar een omvang van 4 tot 6,9 uur per week (klasse 3) voor de periode van 24 december 2008 tot en met 23 december 2013 is daarbij gehandhaafd.
Het standpunt van appellant dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit van 30 juli 2009 op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, deelt de Raad niet. Er heeft een huisbezoek plaatsgevonden en de adviserend arts beschikte over actuele informatie van zowel de huisarts als de behandelend specialist van appellant. Gelet op het bepaalde in de artikelen 6 en 7 van het Zorgindicatiebesluit kon en mocht de adviserend arts een eigen lichamelijk onderzoek achterwege laten.
Voor de stelling van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de handfunctie niet dusdanig beperkt is dat dit leidt tot een belemmering bij het verzorgen van nagels en het opzetten van het zuurstofmasker, ziet de Raad geen aanknopingspunten. Appellant heeft noch bij zijn aanvraag noch bij het huisbezoek melding gemaakt van handklachten. In de medische informatie van de behandelend artsen, waarover de medisch adviseur beschikte, is geen aanwijzing te vinden voor - ten tijde in geding bestaande - handklachten. Voor deze klachten heeft appellant zich pas begin 2010 voor het eerst tot de huisarts gewend.
Hoewel de Raad onvoldoende gemotiveerd acht, waarom in dit geval is afgeweken van de in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ opgenomen norm voor ‘gedeeltelijk uitkleden’ en ‘gedeeltelijk aankleden’ (norm: 10 minuten per activiteit en geïndiceerd: 7,5 minuut per activiteit), kan dit niet leiden tot een vernietiging van het besluit van 30 juli 2009. Ook als wordt uitgegaan van 10 minuten per activiteit (of zelfs van 15 minuten voor volledig aankleden respectievelijk volledig uitkleden) in een frequentie van twee maal per dag, resulteert dit in een urenomvang die valt binnen de geïndiceerde klasse 3. Overigens valt ook de door appellant gewenste indicering voor het verzorgen van zijn nagels en het opzetten van het zuurstofmasker (grotendeels) binnen de bandbreedte van klasse 3.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
A.C. Oomkens G.M.T. Berkel-Kikkert
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep