ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens herstel en onvoldoende onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als grondwerker, werd arbeidsongeschikt verklaard per 3 januari 2007 en ontving een WIA-uitkering tot 31 december 2008. Op 27 mei 2010 meldde hij zich ziek vanuit een WW-uitkering. Het UWV stelde bij besluit van 28 september 2010 vast dat appellant niet langer arbeidsongeschikt was en beëindigde de Ziektewet-uitkering. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar op 20 december 2010.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medische onderzoek van het UWV zorgvuldig was en dat de ernst van de klachten juist was ingeschat. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten onvoldoende waren erkend en dat hij vanaf 29 september 2010 onafgebroken arbeidsongeschikt was, wat door het UWV en de Raad werd weersproken.
De Raad oordeelde dat het UWV op basis van medische rapporten, waaronder die van de bezwaarverzekeringsarts en ZW-verzekeringsarts, terecht had vastgesteld dat appellant geschikt was voor arbeid. De periode tussen de hersteldverklaring op 29 september 2010 en de ziekmelding op 3 januari 2011, evenals het late aanwenden van verslavingszorg, ondersteunen dit oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellant is terecht beëindigd per 29 september 2010 wegens herstel en onvoldoende onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.