ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aflossingscapaciteit en coulanceregeling bij terugvordering WW-uitkering
Appellant betwistte de vaststelling van zijn aflossingscapaciteit ter voldoening van een terugvordering van ten onrechte ontvangen WW-uitkering. Het UWV had een maandelijkse inhouding vastgesteld die niet geheel voldeed aan de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen, omdat niet ten minste de halve aflossingscapaciteit werd toegepast en het bedrag niet binnen 36 maanden werd voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij recht had op een coulanceperiode vanwege te hoge aflossingen in de eerste vijf maanden en vorderde schadevergoeding wegens financiële problemen.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet in strijd was met de Regeling en dat appellant niet tekort was gedaan. Wel constateerde de Raad een motiveringsgebrek omdat de rechtbank geen oordeel gaf over de coulanceregeling, maar dit leidde niet tot vernietiging omdat geen aanleiding bestond voor een aanvullende regeling. De schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt bevestigd, het UWV wordt veroordeeld in proceskosten en het griffierecht wordt aan appellant vergoed.