ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid per 14 juli 2008
Appellant, die een WAO-uitkering ontving en gedeeltelijk werkte, vroeg een WW-uitkering aan voor twaalf uur arbeidsverlies per week vanaf 14 juli 2008. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant vanaf die datum slechts twintig uur per week kon werken en deze uren volledig benutten, waardoor hij niet beschikbaar was voor arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens overschrijding van de redelijke termijn en kende een schadevergoeding toe, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant stelde hoger beroep in tegen de instandhouding van het besluit en de omvang van de schadevergoeding, stellende dat hij wel beschikbaar was en dat het UWV hem onjuist had geïnformeerd over inkomenscompensatie.
De Raad oordeelt dat appellant op 14 juli 2008 niet als werkzoekende was ingeschreven en pas na het besluit van 26 februari 2009 is begonnen met solliciteren, wat wijst op niet-beschikbaarheid. Ook is geen toezegging gebleken dat appellant geen inkomensverlies zou lijden. De mediationtijd wordt niet meegeteld bij de redelijke termijn. De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WW-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.