ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2150

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
10-1196 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over mate arbeidsongeschiktheid per 3 april 2008

De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van het UWV van 24 juni 2008 inzake de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 3 april 2008. De Centrale Raad van Beroep had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin het UWV werd opgedragen een gebrek in het besluit te herstellen door een nadere beoordeling van de arbeidskundige situatie van betrokkene.

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak bracht de bezwaararbeidsdeskundige op 26 juni 2012 een nadere rapportage uit, waarin het verlies aan verdiencapaciteit werd vastgesteld op 20,49%, wat neerkomt op minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellante stemde in met deze theoretische mate van arbeidsongeschiktheid.

De Raad constateert echter dat het UWV geen nieuw besluit heeft genomen waarin de gevolgen van deze nadere rapportage zijn verwerkt. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen, waarbij betrokkene eerst in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op de nadere rapportage. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de nadere arbeidskundige rapportage.

Uitspraak

10/1196 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 januari 2010, 09/772 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 februari 2013
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 1 juni 2012 (LJN BW7567) een tussenuitspraak gedaan. Bij de tussen uitspraak is het Uwv opgedragen het gebrek in het besluit van 24 juni 2008 te herstellen.
Het Uwv heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak nadere stukken ingediend.
Bij brief van 30 juli 2012 heeft mr. Evers de zienswijze van appellante naar voren gebracht.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.
OVERWEGINGEN
1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 1 juni 2012 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. De Raad heeft zich in zijn tussenuitspraak kunnen verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit, waarin het Uwv heeft vastgesteld dat voor betrokkene met ingang van 3 april 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad in zijn tussenuitspraak geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige niet heeft kunnen volstaan met de constatering dat met het vervallen van één van de drie door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies er onvoldoende functies resteren. De Raad heeft opgemerkt dat de bezwaarverzekeringsarts de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op meerdere onderdelen heeft aangepast en in de FML van 4 juni 2008 beperkingen in de rubriek 1 en 2 heeft afgezwakt en in rubriek 4 meer beperkingen heeft vermeld. Onder die omstandigheden had de bezwaararbeidsdeskundige opnieuw het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) dienen te raadplegen teneinde te onderzoeken of er op de datum bij het bestreden besluit in geding nog functies konden worden geselecteerd die voor [betrokkene] (betrokkene), rekening houdend met zijn beperkingen, geschikt waren.
De Raad heeft het Uwv opgedragen het zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit als volgt te herstellen. ‘Het Uwv zal daartoe door de bezwaararbeidsdeskundige, zonodig in overleg met een bezwaarverzekeringsarts, een beoordeling moeten laten maken, waarbij uitgaande van de FML van 4 juni 2008 het CBBS opnieuw wordt geraadpleegd en wordt bezien welke consequenties dit heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op de datum in geding.’
2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 26 juni 2012 een nadere rapportage uitgebracht. Na raadpleging van het CBBS heeft de bezwaararbeidsdeskundige een aantal functies geselecteerd tot het vervullen waarvan betrokkene op de datum in geding in staat werd geacht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat op de datum in geding, 3 april 2008, het verlies aan verdiencapaciteit 20,49% was. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat uit de arbeidskundige rapportage volgt dat betrokkene per 3 april 2008 op grond van zijn theoretische verdiencapaciteit minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
3. Appellante heeft te kennen gegeven te kunnen instemmen met een theoretische arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 3 april 2008 van minder dan 35%.
4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. De Raad stelt vast dat het Uwv geen nieuw besluit heeft genomen, waarin de consequenties van het nadere arbeidskundige onderzoek voor de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op de datum in geding zijn vastgelegd. Het Uwv dient alsnog een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu betrokkene niet als partij aan het geding heeft deelgenomen, dient hij, alvorens een nieuw besluit wordt genomen, van de nadere rapportage van de bezwaararbeidskundige in kennis te worden gesteld en in de gelegenheid te worden gesteld hierop te reageren.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, bestaande uit de kosten voor verleende rechtshulp tot een bedrag in beroep van € 944,- en in hoger beroep van € 1.416,- zijnde in totaal € 2.360,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 juni 2008;
- draagt het Uwv op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze
uitspraak;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 735,- vergoedt;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag
van € 2.360,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) Z. Karekezi